menu

Aanvullende informatie Middeleeuwen (2) 

1. Christus hunc diem: Christus hunc diem is een Gregoriaanse antifoon die nauw verbonden is met de liturgie van het kerstfeest, en meer specifiek met het officie van Kerstmis. De tekst bezingt Christus die “op deze dag” is geboren en plaatst zijn geboorte expliciet in het mysterie van de menswording: God zelf treedt de tijd binnen.

De essentie van Christus hunc diem binnen het Gregoriaans ligt in de samensmelting van liturgische verkondiging, muzikale contemplatie en historische ontwikkeling. Het gezang bezingt de geboorte van Christus niet louter als een herinnering, maar als een mysterie dat zich in de liturgie telkens opnieuw voltrekt. De sobere Latijnse tekst en de vrije, modale melodie plaatsen het woord centraal en maken de zang tot gebed. Tegelijk laat Christus hunc diem zien dat het Gregoriaans geen statische traditie is geweest. Onder invloed van de Karolingische renaissance en de heropleving van de Latijnse cultuur, met belangrijke centra zoals het klooster van Sankt Gallen, ontwikkelde de zang zich hoorbaar verder. Vooral Noord-Europese invloeden brachten grotere melodische sprongen, zoals tertsen, en leidden tot nieuwe vormen. Deze vernieuwingen weerspiegelen een bredere muzikale dynamiek, waarin het Gregoriaans in wisselwerking stond met het opkomende wereldlijke monodische lied en de eerste voorzichtige stappen richting polyfonie.


1. Kyrietropus: Omnipotens genitor: De Kyrietropus Omnipotens genitor (Deus) behoort tot de middeleeuwse praktijk van het tropen van het Kyrie eleison in de gregoriaanse liturgie. Een trope is een tekstuele en/of muzikale uitbreiding van een bestaande liturgische gezangstekst. In dit geval wordt het van oorsprong Griekse, korte en repetitieve Kyrie verrijkt met Latijnse verzen die de aanroeping inhoudelijk verdiepen. Omnipotens genitor betekent “almachtige voortbrenger/vader” en plaatst God expliciet in zijn scheppende en heersende rol, waardoor het Kyrie niet alleen een smeekbede om ontferming is, maar ook een lofprijzing en geloofsbelijdenis.

Deze Kyrietropus ontstond waarschijnlijk in de 10e of 11e eeuw, in een tijd waarin kloosters en kathedrale centra – met name in het Frankische en Duits-Zwitserse gebied, zoals Sankt Gallen – actief experimenteerden met tropen.

Muzikaal gezien sluit Omnipotens genitor nauw aan bij de melodische structuur van het Kyrie waarop het is gebaseerd. De nieuwe tekst wordt ingevoegd in de bestaande melismen of krijgt eigen melodische formules die stilistisch passen binnen het gregoriaanse idioom. Dit zorgt voor een organische eenheid tussen oud en nieuw materiaal. In de loop van de late middeleeuwen raakte het gebruik van Kyrie-tropen geleidelijk in onbruik, mede door liturgische hervormingen die streefden naar meer uniformiteit.


1. Notker -Media Vita (~900): Een van de meest ontroerende stukken uit het Gregoriaanse repertoire is het responsorium Media vita dat in vroeger tijden bij voorkeur in de Vasten werd gezongen en in de loop van de Middeleeuwen een grote populariteit kreeg.

Notker de Stotteraar (ca. 840–912), ook wel Notker van Sankt Gallen genoemd, was een benedictijner monnik, dichter, componist en geleerde die leefde in de Karolingische periode. Hij was verbonden aan de abdij van Sankt Gallen, een belangrijk intellectueel centrum in het huidige Zwitserland. Ondanks een spraakgebrek – waaraan hij zijn bijnaam dankt – stond Notker bekend om zijn uitzonderlijke geleerdheid en literaire talent. Hij leverde een grote bijdrage aan de ontwikkeling van de middeleeuwse kerkmuziek, met name door het schrijven van sequenties: tekstuele toevoegingen aan gregoriaanse melodieën om het onthouden en zingen te vergemakkelijken.

Media vita kreeg een vaste plaats in de liturgie, vooral in tijden van crisis, zoals tijdens processies, vastentijd en dodenherdenkingen. Het lied werd ook door de kruisvaarders gezongen. In de loop van de middeleeuwen werd de tekst wijdverbreid en op verschillende melodieën gezet. Daarmee groeide zij uit tot een van de bekendste Latijnse gezangen over leven en dood.

Media vita in morte sumus.
Quem quaerimus adjutorem nisi te, Domine. (...)

Midden in het leven zijn wij met de dood omvangen
Wie zoeken we als onze Helper tenzij U, Heer, (...)

2. Notker Balbulus - Natus Ante Saecula: Manuscripten uit Sankt Gallen (rond 930) bevatten de tekst én de notatie van deze sequentie met een rubricering die de verzameling van sequensen aan Notker Balbulus toeschrijft. Het betreft een eenstemmig koorwerk, afgewisseld met parallel organum in kwarten.

Natus ante saecula is een Latijnse hymne die zijn oorsprong heeft in de vroegmiddeleeuwse christelijke liturgie en theologie. De titel betekent “Geboren vóór alle eeuwen” en verwijst naar Christus als de eeuwige Zoon van God, die al vóór de schepping bij de Vader bestond. Daarmee sluit de tekst nauw aan bij de christologische leer zoals die is vastgelegd in de geloofsbelijdenissen van Nicea en Constantinopel, waarin Christus wordt beleden als “God uit God, licht uit licht, waarachtig God uit waarachtig God”.

De hymne bezingt vooral het mysterie van de incarnatie: de eeuwige Christus, die buiten de tijd bestaat, wordt in de tijd geboren uit Maria. Dit spanningsveld tussen eeuwigheid en menswording vormt het centrale thema van de tekst. Natus ante saecula benadrukt dat Christus de Logos is, door wie alles geschapen is en die uit vrije wil mens wordt om de mensheid te verlossen. Liturgisch werd Natus ante saecula vooral gebruikt in de kersttijd en in vieringen waarin de goddelijke natuur van Christus centraal stond.

N.B. liturgisch is Natus ante saecula een sequentie, maar stilistisch en inhoudelijk kan het ook als hymne worden gezien.

3. Wipo van Bourgondië - Victimae paschali laudes (~1030): Evenals de trope behoort ook de sequens tot de syllabische gezangen. Van het groot aantal bestaande sequensen werden door het Concilie van Trente [1545-1563] slechts vier toegelaten (later uitgebreid tot vijf) waarvan Victimae paschali laudes, de Paas-sequens van Wipo van Bourgondië (gest. ~ 1050) er een is. Het schema der sequensen bestond veelal uit telkens twee coupletten bij eenzelfde melodie, voorafgegaan en gevolgd door een enkele couplet bij een eigen melodie. In het onderhavige voorbeeld dus a-bb-cc-d.

  • Trope: toevoeging van een nieuwe tekst in een bestaande compositie

  • Sequens: (hier) een misgezang met een syllabische melodie die op bepaalde hoogdagen na het Alleluia of de Tractus gezongen wordt. De sequenties zijn de oudste en belangrijkste vorm van tropen.

  • syllabisch: iedere lettergreep krijgt een noot

  • Victimae paschali laudes immolent Christiani: Laten de christenen aan het Paaslam huldezangen wijden

4. Adam de Saint Victor - In natale (~1130): Adam de Saint Victor was een belangrijk liturgisch dichter en componist in Parijs in de eerste helft van de twaalfde eeuw, verbonden aan de abdij van Abbaye de Saint Victor de Paris en eerder actief als precentor van de kathedraal Notre Dame de Paris. Hij wordt gezien als de grote meester van de “sequentie”-vorm: een korte gezongen tekst die liturgisch tussen het Alleluia en het evangelie geplaatst werd in de mis. Zijn stijl kenmerkt zich door strakke ritmische vorm, verfijnde retoriek en rijke typologische beelden: hij gebruikt veel Bijbelse figuren en bijbeltypen om het christelijke mysterie te verduidelijken. “In Natale” betekent letterlijk “op de dag van de geboorte” (van Christus). Dit werk is een sequentie voor Kerstmis (de geboorte van de Verlosser). Het werd vermoedelijk gezongen in de liturgie van de Kerstnacht- of Kerstdienst, tussen het Alleluia en de evangelielezing, ter viering van de incarnatie van Christus. De tekst opent met een feestelijke oproep van de engelen: een koor klinkt, het “toneel” van de mensheid en de hemel komen samen. Het centrale thema is de incarnatie: het eeuwige Woord wordt vlees, God wordt mens, de tijdloze wordt tijdgebonden. Verder wordt benadrukt dat het mysterie niet enkel rationeel te bevatten is. In een belangrijke passage wijst Adam erop dat ook het boze het geheim van deze gebeurtenis niet doorziet. De rol van Maria wordt genoemd in de laatste strofen waar zij als middelaarster voor de mensheid verschijnt.

5. Thomas van Celano - Dies irae: De Latijnse hymne Dies Irae (‘Dag des toorns’) blikt vooruit op de vreeswekkende dag waarop het Laatste Oordeel plaatsvindt. Het Dies Irae maakt deel uit van de oude requiemmis. Het Dies Irae is een 13-eeuwse Latijnse hymne, toegeschreven aan de franciscaan Thomas van Celano. De naam is ontleend aan de eerste twee woorden: 'dag van gramschap'. Het lied bestaat uit 18 stanza's en een korte, later toegevoegde, tekst (Pie Jesu). Alle stanza's, behalve de laatste, bestaan uit drie regels. De laatste woorden van elke regel rijmen op elkaar. De hymne bezingt vanuit het ik-perspectief het Laatste Oordeel, waarop God zijn toorn (ira) zal laten gelden. Alle zielen worden op deze vreeswekkende dag herenigd met hun lichamen. De verrezenen worden voor Gods troon gebracht en geoordeeld, waarna de zondaars in het hellevuur zullen worden geworpen. De ik-figuur bidt dat hij tot de uitverkorenen wordt gerekend en bidt God om genade.

In de Romeinse Ritus van de Katholieke Kerk werd het Dies Irae gezongen als sequentie in de Heilige Mis voor de overledenen (requiemmis) en de Mis op Allerzielen. De gregoriaanse melodie van het Dies Irae is een overgang van de oorspronkelijke wisselende strofenzang naar de hymnevorm. Ze bestaat uit drie zich herhalende submelodieën. Sinds de 18e eeuw hebben veel componisten het Dies Irae opnieuw getoonzet, de beroemdste versies zijn van Mozart en Verdi en in onze tijd van musicalcomponist Andrew Lloyd Webber.

6. Veni Sancte Spiritus: Veni Sancte Spiritus (Latijn voor: Kom Heilige Geest) is een sequens voor de rooms-katholieke mis met Pinksteren. Na de Alleluia-tussenzangen wordt deze sequens (ook wel 'sequentie' of 'sequentia') gezongen, waarna de lezing van het evangelie volgt. De tekst van de sequens uit ~ 1200 wordt toegeschreven aan de Engelse kardinaal Stephen Langton; anderen houden paus Innocentius III voor de auteur.

De Pinkstersequens is een van de vijf sequenties die het Concilie van Trente heeft bewaard uit de talloze die toen allemaal zijn afgeschaft. Typerend voor het gregoriaans is dat de melodie niet zoals bij de hymne voor elk couplet hetzelfde is maar juist verschilt. In het geval van het Veni Sancte Spiritus volgen de tien coupletten het schema A-A-B-B-C-C-D-D-E-E. Er zijn talloze polyfone zettingen bekend, m.n. uit de Renaissance, o.a. van Adriaen Willaert, Orlando di Lasso, Heinrich Schütz. Ook latere componisten hebben deze tekst getoonzet voor koor en orkest. In populariteit kan deze sequens echter niet op tegen twee andere: het Dies Irae uit de dodenmis en het Stabat Mater van Maria onder het kruis.

7. Lauda sion: Lauda sion salvatorem (Loof, Sion, den Verlosser) zijn de beginwoorden van een bekende hymne van Thomas van Aquino, die altijd als Sequentia wordt gezongen in de Heilige Mis op het feest van het Heilig Sacrament. Het is een van de mooiste hymnen van de R.K. Kerk.

Het Feest van het Heilig Sacrament, ook bekend als Sacramentsdag of Corpus Christi, is een katholiek hoogfeest dat de werkelijke aanwezigheid van Jezus Christus in de Eucharistie (het lichaam en bloed van Christus in de hostie) viert, meestal gehouden op de tweede donderdag na Pinksteren, maar in Nederland en België vaak verplaatst naar de daaropvolgende zondag, gekenmerkt door processies met de hostie in een monstrans.

8. Stabat mater dolorosa: De Stabat Mater is een 13e-eeuwse christelijke hymne aan de Maagd Maria die haar lijden als moeder tijdens de kruisiging van haar zoon Jezus Christus uitbeeldt. De auteur ervan is mogelijk de Franciscaanse monnik Jacopone da Todi of paus Innocentius III. De titel komt van de eerste regel , "Stabat Mater dolorosa", wat betekent "de bedroefde moeder stond daar". Als liturgische sequentie werd het Stabat Mater, samen met honderden andere sequenties, door het Concilie van Trente afgeschaft, maar in 1727 door paus Benedictus XIII weer in het missaal opgenomen voor het feest van de Zeven Smarten van de Heilige Maagd Maria. Het Stabat Mater is door vele westerse componisten op muziek gezet.


1. Tropo del giorno di Pasqua: Quem quaeritis in sepulcro: De Latijnse vraag Quem quaeritis? (Wie zoekt u?) verwijst naar vier regels van de middeleeuwse paasliturgie die later de kern vormden van het omvangrijke corpus van middeleeuws liturgisch drama , ook wel bekend als Visitatio sepulchri ("Bezoek aan het graf"). Het werd in de tiende eeuw in de liturgie geïntroduceerd als een nieuw genre van liturgische ceremonie:

Vraag [van de engelen]: Wie zoeken jullie in het graf, o volgelingen van Christus? Antwoord [van de Maria's]: Jezus van Nazareth, de Gekruisigde, o hemelse wezens. De engelen: Hij is hier niet; hij is opgestaan, zoals hij voorspeld heeft. Ga heen en verkondig dat hij uit het graf is opgestaan. De regels werden vervolgens gevolgd door een gezongen koor van Alleluja's.

De vraag " Quem Quaeritis?" was een uitwisseling van één vraag, één antwoord en één gebod tussen de engelen bij het graf van Christus en de drie Maria's: de Maagd Maria, Maria Magdalena en Maria, de zuster van Lazarus. De specifieke vraag "Quem quaeritis?" (Wie zoekt u?) staat niet in Lucas 24 , waar deze weliswaar wordt geïmpliceerd maar weggelaten: "Waarom zoekt u de levende onder de doden? Hij is hier niet, maar is opgestaan." De eigenlijke vraag wordt rechtstreeks gesteld in Johannes 18 :7 in een andere context.

In de canonieke evangeliën worden Maria Magdalena, Johanna, Maria (de moeder van Jacobus) en "andere vrouwen" genoemd als de aanwezigen bij deze gebeurtenis. Hoewel kort, zou dit tekstfragment later uitgroeien tot een omvangrijk oeuvre van religieuze middeleeuwse toneelstukken en zich ontwikkelen tot verschillende genres, zoals liturgisch drama en mysteriespelen. De toneelstukken die hun oorsprong vinden in de Quem Quaeritis? bestonden ongeveer 650 jaar, tot het einde van de Reformatie.

2. Quem quaeritis in praesepio: Quem quaeritis in praesepio (Wie zoekt gij in de kribbe?) is een korte liturgische dialoog die zijn oorsprong heeft in de vroege middeleeuwen en wordt beschouwd als een van de kiemen van het westerse liturgische drama. De tekst is opgezet als een vraag-en-antwoordgesprek tussen engelen en vrouwen (of herders), waarin de geboorte van Christus wordt aangekondigd en geduid. Oorspronkelijk hoorde deze dialoog thuis in de kerstliturgie, later ook in de paasliturgie in de verwante vorm Quem quaeritis in sepulchro (Wie zoekt gij in het graf?). De dialoog werd gezongen of gereciteerd binnen de mis of het getijdengebed en was bedoeld om het bijbelverhaal niet alleen te verkondigen, maar ook ervaarbaar te maken voor de aanwezige gelovigen.

De oudste bronnen van Quem quaeritis in praesepio dateren uit de 10e eeuw en zijn te vinden in liturgische handschriften uit kloosters in het Karolingische en Ottoonse rijk. De tekst is sober en sterk symbolisch: door de eenvoudige vraag en het antwoord wordt de kern van het kerstmysterie — de incarnatie van Christus — theologisch samengevat. Tegelijk introduceert deze vorm een element van dramatisering in de liturgie, doordat verschillende rollen worden onderscheiden en de handeling ruimtelijk kon worden uitgebeeld, bijvoorbeeld bij de kerstkribbe in de kerk.

In de loop van de 11e en 12e eeuw werd de dialoog uitgebreid met aanvullende verzen, gezangen en handelingen, waardoor zij steeds meer het karakter kreeg van een kleine toneelscène. Deze ontwikkeling markeert een belangrijke overgang van strikt rituele zang naar dramatische voorstelling en maakt Quem quaeritis tot een cruciaal schakelpunt in de geschiedenis van het Europese toneel. Hoewel de tekst eenvoudig is, heeft zij grote invloed gehad: vanuit dit liturgische begin ontstonden uiteindelijk uitgebreide mysteriespelen en volkstalige religieuze drama’s die buiten de kerk werden opgevoerd.

3. Spel van Daniël (Beauvais, 13e eeuw): Historische uitvoering door Ensemble PHOENIX in Israël in 2008, op historische instrumenten. Regisseur Dr. Myrna Herzog schrijft: “Het spel van Daniel is het mooiste muziekdrama uit de middeleeuwen; het wordt ook wel een middeleeuwse opera genoemd. Er is slechts één exemplaar van bewaard gebleven, dat rond 1230 waarschijnlijk door jonge geestelijken in de kathedraal van Beauvais in Frankrijk is geschreven. Elke moderne uitvoering van het middeleeuwse spel is een hercreatie en vertaling naar de moderne tijd van het stuk uit Beauvais, zelfs als het op historische instrumenten wordt uitgevoerd. Waarschijnlijk werd het na de metten uitgevoerd en opgenomen in het ritueel van de christelijke kerk, waar het aan het einde samensmolt met de Gregoriaanse hymne Te Deum Laudamus. (…) In onze versie wordt de proloog/opdracht gezongen in Hebreeuwse verzen (vertaald uit het oorspronkelijke Latijn) en eindigt het stuk nadat Daniël uit de leeuwenkuil is bevrijd. (…) Het monofone manuscript geeft alleen de toonhoogte aan, niet het ritme, waardoor de meeste regisseurs – zoals ikzelf – gedwongen zijn hun eigen transcriptie te maken. Met de natuurlijke accentuering van het Latijnse vers als belangrijkste leidraad voor de ritme-interpretatie, heb ik een nieuwe transcriptie en een moderne editie van het manuscript gemaakt. Het feit dat het toneelstuk van Daniel in kerken werd opgevoerd als onderdeel van een religieuze dienst, waarbij de koorzangers zich niet gemakkelijk konden omkleden, lijkt erop te wijzen dat de enscenering eenvoudig moest zijn en dat er gebruik moest worden gemaakt van eenvoudige rekwisieten om de verbeelding van het publiek te prikkelen. We hebben dit als uitgangspunt genomen voor onze vertolking.”

4. Medieval Liturgical Drama - The Play of Herod: Le Jeu d’Hérode maakt deel uit van wat in de literatuur gewoonlijk de Fleury Playbook (ook Livre de Jeux de Fleury genoemd) wordt genoemd, een van de belangrijkste collecties middeleeuwse liturgische drama’s die bewaard zijn gebleven. Dit manuscript bevindt zich vandaag in de Médiathèque/Bibliothèque municipale van Orléans. Het dateert uit de late 12e en vroege 13e eeuw en combineert vermamende preken, bijbelse teksten, liturgische drama’s en hymnen in één codex geschreven in het Latijn op perkament.

In tegenstelling tot sommige andere drama’s in de collectie, die meer aan liturgische officies verwant zijn, concentreert dit stuk zich op de reactie van koning Herodes op de geboorte van Christus en de komst van de Wijzen uit het Oosten. In veel studies wordt dit stuk geplaatst binnen een bredere traditie van liturgische drama’s uit de twaalfde eeuw: teksten die ontstaan uit de theatrale potentie van de liturgie zelf, maar die los staan van de strikt sacramentele context doordat ze een narratieve, theatrale uitwerking van bijbelse thema’s ontwikkelen. Le Jeu d’Hérode illustreert deze overgang: het is een liturgisch geïnspireerde dramatische vorm, waarin gezongen en gesproken tekst samenkomen met theatrale representatie om een bijbels verhaal in de gemeenschap zichtbaar en hoorbaar te maken.


1. Guido van Arezzo: Een minidocumentaire over Guido van Arezzo en het belang van de toepassing van de rode lijn, een revolutionaire stap voorwaats in muzieknotatie.

2. Guido d'Arezzo. Derivation of solfège syllables from the hymn to St. John, "Ut Queant Laxis": Guido d'Arezzo wordt gezien als de bedenker van het solfège-systeem voor het zingen op bladmuziek. Hij gebruikte hiervoor de eerste lettergrepen van opeenvolgende zinnen uit een hymne aan Sint-Jan, "Ut Queant Laxis". De klank van de eerste lettergreep "Ut" is nauwelijks hoorbaar en moeilijk snel te zingen en werd later vervangen door "Do", de eerste lettergreep van Dominus (Heer, als aanduiding van God).

3. Organum (Musica Enchiriadis): Musica enchiriadis en Scolica enchiriadis zijn beide zijn anonieme Latijnse muziektheoretische verhandelingen uit de 9e eeuw. Musica enchiriadis is de hoofdtekst (korter), Scolica enchiriadis is een uitgebreid commentaar daarop, geschreven als een dialoog, waarbij de theorie nader wordt uitgelegd en waarbij voorbeelden worden gegeven. Samen circuleerden ze veel in middeleeuwse manuscripten. Het betreft een eerste systematische behandeling van polyfonie in het Westen. Musica enchiriadis bevat de vroegst bewaard gebleven poging om regels voor meerstemmigheid (organum — eenvoudige parallelle en tegenbewegingen) vast te leggen, met concrete aanwijzingen welke consonante intervallen (octaaf, kwint, kwart — soms terts/sext) gebruikt mogen worden en met notatievoorbeelden.

4. De oorsprong van muziek - Het verhaal van Guido: Een engelstalige spoedcursus over de oorsprong van muziek met het verhaal van Guido d'Arezzo, een van de grootste muziekdocenten van zijn tijd.


1. Victimae paschali laudes: Victimae paschali laudes (~1030): Evenals de trope behoort ook de sequens tot de syllabische gezangen. Van het groot aantal bestaande sequensen werden door het Concilie van Trente [1545-1563] slechts vier toegelaten (later uitgebreid tot vijf) waarvan Victimae paschali laudes, de Paas-sequens van Wipo van Bourgondië (gest. ~ 1050) er een is. Het schema der sequensen bestond veelal uit telkens twee coupletten bij eenzelfde melodie, voorafgegaan en gevolgd door een enkele couplet bij een eigen melodie.

2. Ut Queant Laxis: Guido d'Arezzo wordt gezien als de bedenker van het solfège-systeem voor het zingen op bladmuziek. Hij gebruikte hiervoor de eerste lettergrepen van opeenvolgende zinnen uit een hymne aan Sint-Jan, "Ut Queant Laxis". De klank van de eerste lettergreep "Ut" is nauwelijks hoorbaar en moeilijk snel te zingen en werd later vervangen door "Do", de eerste lettergreep van Dominus (Heer, als aanduiding van God).

3. Cunctipotens Genitor Deus - Kyrie: Cunctipotens Genitor Deus is de titel van een van de oudste en meest gebruikte gregoriaanse Kyrie-melodieën uit het christelijk liturgisch repertoire, opgenomen in het zogenaamde Kyriale – de verzameling van gezangen voor het ordinarium van de Mis. Binnen deze verzameling is het de Kyrie-instelling van de Missa IV, traditioneel verbonden met feesten van de apostelen.

Het woord cunctipotens betekent “almachtig” en genitor Deus “Vader-God”, waardoor de volledige regel zich laat vertalen als “Almachtige Vader, God, Schepper van alles, ontferm U over ons”.

Historisch stamt deze melodie uit de vroege middeleeuwen (ongeveer 9e–11e eeuw) en is opgenomen in liturgische handschriften zoals het Graduale Romanum en het Liber Usualis, waar het wordt aangeduid als Kyrie IV.(Musica International) Het is een van de meest verspreide Kyrie-melodieën van de gregoriaanse traditie.


1. Carmina Burana (Codex Buranus) (ca. 1230): De goliardenliederen behoren tot de opmerkelijkste muzikale getuigenissen van het middeleeuwse studentenleven. Deze liederen werden geschreven en gezongen door rondtrekkende geestelijken, studenten en dichters — de zogeheten goliarden — die zich in de twaalfde en dertiende eeuw ophielden aan kloosterscholen en vroege universiteiten in geheel Europa. Hun teksten, meestal in het Latijn en soms in de volkstaal, behandelen onderwerpen die variëren van lof op de lente, de wijn en de liefde tot scherpe satire op kerkelijke en wereldlijke machthebbers.

De belangrijkste bron waarin deze liederen zijn overgeleverd is het manuscript van de Carmina Burana, rond 1230 geschreven in Zuid-Duitsland en nu bewaard in München. Het bevat ongeveer 250 gedichten, waarvan zo’n veertig zijn voorzien van muzikale notatie. Deze notatie is in neumen geschreven – een vroeg type muziekschrift dat doorgaans de toonhoogten aanduidt, maar geen precieze ritmische waarden. Hierdoor zijn de melodieën slechts ten dele bekend en moesten ze bij moderne uitvoeringen worden gereconstrueerd. De overgeleverde melodieën tonen een nauwe verwantschap met de wereld van het gregoriaans, maar vertonen ook wereldlijke trekken, zoals dansachtige ritmen, eenvoudige modale melodieën en herhalingsstructuren die wijzen op orale overlevering.

Wat betreft de tweestemmigheid die men tegenwoordig soms in uitvoeringen hoort – bijvoorbeeld parallelle kwarten of kwinten – is dat historisch goed te verantwoorden. Vanaf de vroege middeleeuwen bestond in de westerse muziek de praktijk van het organum parallelum: een meerstemmigheid waarbij een tweede stem in vaste intervallen, meestal kwarten of kwinten, boven of onder de hoofdmelodie meeliep. Tegen de twaalfde en dertiende eeuw ontwikkelde zich uit deze praktijk een vrijere vorm van meerstemmigheid, zoals we die kennen uit de muziek van de School van Saint-Martial en later de Notre-Dame-school. Hoewel de goliardenliederen oorspronkelijk vermoedelijk eenstemmig werden gezongen, is het aannemelijk dat uitvoerders in de dertiende eeuw dergelijke eenvoudige parallellen als improvisatorische versiering konden toevoegen.

Ik brand van binnen,
als een vuur dat in mij woedt;
ik ben de zoon van razende gedachten,
een speelbal van mijn eigen hartstocht.

Ik haat de somberheid,
ik zoek de vrolijkheid,
want de muzen troosten mij niet langer,
en de dorst kwelt mijn keel.

Ik leef als een dwaas,
ik zwerf zonder rust,
ik geef mij aan de zonde over
en lach om al wat deugdzaam heet.

Ik minacht de wereld,
ik bespot de rijken,
en wie zich vroom noemt —
die is voor mij de grootste huichelaar.

2. Cambridge Songs (11de eeuw): Behalve de Carmina Burana zijn er nog enkele andere bronnen met goliardische liederen en bijbehorende melodieën, zoals de Cambridge Songs (11e eeuw) en de Carmina Rivipullensia uit Catalonië. Ook daar treffen we Latijnse wereldlijke liederen aan met een muzikale notatie die, hoewel beperkt, inzicht geeft in het muzikale idioom van de tijd. Deze melodieën waren doorgaans eentonig (monofonisch), maar er bestaan aanwijzingen dat men ze soms in eenvoudige meerstemmigheid uitvoerde.

De Cambridge Songs is een specifieke verzameling van ongeveer 40 Latijnse liederen uit de 11e eeuw, bewaard in een manuscript in Cambridge. Kenmerken: kort, monofonisch, wereldlijk van aard (liefde, lente, feest, drank), soms satirisch. Het betreft één van de oudste bekende verzamelingen van Latijnse studentenliederen in Engeland. (N.B. De Cambridge Songs maken deel uit van de Codex Cantabrigiensis)

Wanneer wij in de herberg zijn,
denken wij niet aan de zorgen van de dag.
We drinken wijn, we dobbelen en lachen,
en iedereen zingt en danst zonder remming.

De priester, de geleerde, de jonge en de oude,
zij allen verliezen zich in spel en drank.
Niemand blijft nuchter, iedereen geniet,
en wie zich vroom noemt, wordt vrolijk bespot.

Zo leven wij onze dagen:
vrij, luidruchtig en vol humor,
genietend van vrouwen, wijn en het lot,
terwijl de wereld ons minacht — maar wij lachen terug

3. Carmina Cantabrigiensia: De Carmina Cantabrigiensia zijn een verzameling Latijnse liederen en gedichten uit de vroege middeleeuwen, die nauw aansluiten bij de goliardentraditie. Ze dateren uit de 11e en 12e eeuw en werden bewaard in Cambridge. De verzameling bevat ongeveer 30 tot 50 teksten, die uiteenlopende thema’s behandelen: het studentenleven, de liefde, feesten en drank, maar ook humor en scherpe satire op geestelijken en wereldlijke autoriteiten.

Een deel van de liederen is voorzien van neumennotatie, een vroege vorm van muziekschrift die de toonhoogte aangeeft, maar zelden het ritme. De melodieën waren overwegend monofonisch en eenvoudig van aard, vaak mondeling overgeleverd. Er zijn aanwijzingen dat bij uitvoeringen soms eenvoudige meerstemmigheid werd toegepast, bijvoorbeeld in parallelle kwarten of kwinten, zoals gebruikelijk was in vroege middeleeuwse organumpraktijken.

De Carmina Cantabrigiensia vormen een belangrijke schakel tussen oudere Latijnse studentenliederen, zoals de Cambridge Songs, en latere verzamelingen zoals de Carmina Burana. Ze bieden waardevol inzicht in de muzikale en literaire cultuur van middeleeuwse studenten en geestelijken, laten zien hoe men humor, levenslust en kritiek op kerk en samenleving combineerde, en tonen de vroege wereldlijke muziekpraktijk in Engeland.

4. Carmina Rivipullensia: De Carmina Rivipullensia vormen een kleine maar belangrijke verzameling Latijnse wereldlijke liederen uit de vroege middeleeuwen, bewaard in een manuscript uit het klooster van Ripoll in Catalonië, waarschijnlijk daterend uit de 12e eeuw. Net als andere goliardische teksten zijn de liederen humoristisch, speels en soms scherp satirisch. Ze behandelen thema’s als liefde, de lente, feesten en drank, maar ook kritiek op geestelijken en maatschappelijke conventies. Een deel van de teksten is voorzien van neumennotatie, een vroege vorm van muziekschrift die de toonhoogte aangeeft maar geen precieze ritmische waarden. Dit geeft aanwijzingen over de melodische contouren, terwijl het ritme grotendeels moet worden gereconstrueerd. De melodieën zijn overwegend monofonisch, eenvoudig van structuur en vaak modaal, met herhalingen die wijzen op orale overlevering. Er zijn ook aanwijzingen dat sommige liederen in eenvoudige meerstemmigheid konden worden uitgevoerd, bijvoorbeeld met parallelle kwarten of kwinten, zoals gebruikelijk was in de vroege middeleeuwse organumpraktijk. Hoewel de Carmina Rivipullensia slechts een klein corpus vormen in vergelijking met de grote Carmina Burana, bieden zij waardevol inzicht in de muzikale en literaire cultuur van de goliarden in het Iberisch schiereiland. De verzameling toont hoe humor, levenslust en kritische observaties werden gecombineerd in Latijnse wereldlijke liederen, en illustreert de verspreiding van goliardische tradities buiten Frankrijk en Duitsland.

5. Godric of Finchale - Crist and Sainte Marie (~1130):

Crist and sainte marie swa on scamel me iledde
þat ic on þis erðe ne silde wid mine bare fote itredie

Christus en de heilige Maria droegen mij op een stoeltje,
zodat ik nooit de aarde met blote voeten hoefde te betreden.


1. Anoniem: Roelandslied: Het Roelandslied (La Chanson de Roland) is een van de oudste en beroemdste epische riddergedichten van de middeleeuwen, ontstaan rond 1100 in het Oudfrans. Het behoort tot het genre van de “chansons de geste” – heroïsche zangverhalen waarin daden van legendarische helden uit de tijd van Karel de Grote worden bezongen. Het Roelandslied werd gezongen of voorgedragen door troubadours of jongleurs, begeleid door eenvoudige melodieën, en diende als mondelinge en morele propaganda voor ridderlijke waarden zoals eer, trouw en religieuze moed.


1. Guillaume IX d'Aquitaine - Farai un vers pos mi sonelh: Guillaumes grootste nalatenschap aan de geschiedenis was niet als krijgsman, maar als troubadour – een lyrisch dichter die de Romaanse volkstaal Occitaans, of vroeger Provençaals, gebruikte. Hij was de vroegste troubadour wiens werk (deels) bewaard is gebleven, in totaal elf liederen. Farai un vers, pos mi sonelh kent twee aanzienlijk verschillende versies in verschillende manuscripten. De liederen worden aan hem toegeschreven onder zijn titel als graaf van Poitou (lo coms de Peitieus). De onderwerpen variëren en gaan over seks, liefde, vrouwen, zijn eigen seksuele en literaire bekwaamheid en feodale politiek.

2. Guillaume IX - Farai un vers de dreyt nien (~1100): Guillaume IX van Aquitanië (1071–1126), ook bekend als Guilhem de Peitieus, was hertog van Aquitanië en Gascogne en grootvader van Eleonora van Aquitanië. Hij geldt als de eerste troubadour wiens poëzie en muziek zijn overgeleverd. De troubadours waren zanger-dichters aan de hoven van Zuid-Frankrijk in de 12e en vroege 13e eeuw. Zij schiepen een geheel nieuwe cultuur van hoofse liefde (fin’amor), waarin de liefde werd verheven tot een spirituele, verfijnde kunstvorm — een esthetisch en ethisch ideaal dat diep invloed had op de westerse literatuur en muziek. Guillaume IX was een aristocraat, krijgsman en dichter, en zijn werk verenigt ironische humor, zelfspot, erotische suggestie en vormexperiment. Zijn liederen zijn niet alleen liefdesverklaringen, maar ook reflecties over het dichten zelf — een meta-poëtisch bewustzijn dat zijn werk opvallend modern maakt. De titel Farai un vers de dreyt nien betekent letterlijk: “Ik zal een lied maken over helemaal niets.” Het is een canso (liefdeslied) in de troubadourtraditie, maar tegelijkertijd een parodie op dat genre: Guillaume speelt met de conventies van de hoofse poëzie en stelt ze ironisch ter discussie. De melodie is monodisch (één stem, zonder begeleiding), zoals gebruikelijk bij troubadours. Het werk is waarschijnlijk geschreven rond 1100–1120, dus nog vóór de bloeiperiode van de grote troubadours als Bernart de Ventadorn en Jaufre Rudel.

3. Jaufré Rudel - Quan lo rius de la fontana (~1150): Jaufré Rudel (ca. 1110–ca. 1147) was een troubadour uit het prinsdom Blaye in het huidige Zuidwest-Frankrijk. Hij wordt beschouwd als een van de eerste componisten van de conceptuele liefde van ver, waarin de idealisering van de geliefde centraal staat, vaak ver weg en onbereikbaar. Rudel leefde in de periode van de vroege troubadours (rond 1100–1150), toen Occitaanse lyriek een hoogtepunt bereikte. De titel Quan lo rius de la fontana betekent: “Wanneer de rivier van de fontein…”. Het is een canso, de klassieke troubadourvorm voor liefdesliederen, waarin de troubadour de lof van een verheven, vaak verafgelegen dame bezingt. De tekst vrij vertaald: Wanneer de fontein helder stroomt / en mijn hart naar haar terugkeert, mijn geliefde, goed en verheven… /

4. Richard I Leeuwenhart - Ja nuns hons pris (~1180): Richard I van Engeland (1157–1199), bijgenaamd Leeuwenhart, was koning van Engeland en een prominente figuur in de Derde Kruistocht. Minder bekend is dat hij ook een trouvère was — een componist van wereldlijke liederen in het Oudfrans (langue d’oïl). Richard werd beïnvloed door zowel de Occitaanse troubadours van Zuid-Frankrijk (via zijn moeder, Eleonora van Aquitanië) als door de Noord-Franse trouvères, die de canso en andere vormen van hoofse liefde naar hun regio brachten. Zijn muzikale productie bestaat uit enkele wereldlijke liederen, waarvan Ja nuns hons pris het bekendste voorbeeld is. Deze liederen zijn politiek en persoonlijk, vaak gericht op onderwerpen van liefde, ridderlijkheid en persoonlijke eer. Ja nuns hons pris betekent: “Ja, ik heb mijn hart gevangen” of “Ja, ik heb mijn liefde gevangen”. Het werk is een chanson courtoise, geschreven in de Noord-Franse stijl van de trouvères, en kan worden gecategoriseerd als een chanson d’amour. Het lied werd waarschijnlijk gecomponeerd rond 1180, tijdens Richard’s jeugd of vroege volwassenheid, voordat hij volledig op kruistocht ging.

5. Raimbaut de Vaqueiras - Kalenda maya (~1200): De estampie is een middeleeuws muzikaal genre, dat vooral populair was van de 12de tot en met de 14de eeuw, hoofdzakelijk in Frankrijk en Noord-Italië. De Oudfranse term estampie gaat vermoedelijk terug op het Oudgermaanse woord 'stampjan'/'stampen' hetgeen erop duidt dat de estampie oorspronkelijk een dans was. In de bewaard gebleven bronnen verschijnt de estampie vanaf ca 1200 echter niet meer als een dansvorm, maar als een hoofs minnelied – dus als een poëtisch-muzikale vorm – en/of een virtuoos instrumentaal stuk. Nadat de hoofse minnezang van de troubadours en trouvères uit de gratie was geraakt, bleef alleen nog de instrumentale variant van de estampie over. Culturele veranderingen en nieuwe ontwikkelingen in de muziek en haar notatie brachten met zich mee, dat de estampie zich uiteindelijk tot een uitsluitend instrumentaal stuk en, in sommige gevallen, tot een complexe compositie heeft ontwikkeld. Het eerste schriftelijk met tekst en noten overgeleverde voorbeeld van het genre is de estampida Kalenda maya van de Provençaalse troubadour Raimbaut de Vaqueiras (ca 1200). Gedurende de 13de eeuw behoorde de estampida ook tot het repertoire van andere troubadours.

6. Adam de la Halle - Robin m'aime (~1260): Het beroemdste zangspel was het Jeu de Robin et de Marion van Adam de la Halle (ca 1237 - ca 1287), de laatste en grootste der trouvères (middeleeuwse dichter, minnezanger in het noorden van Frankrijk). Deze pastourelle (letterlijk herderinnetje, provencaals liefdeslied) bevat zowel dialogen als liederen waarvan enkele met een meerstemmige zetting.' Robins m'aime is een rondeau.


1. Bernart de Ventadorn – Can vei la lauzeta mover (ca. 1170): Can vei la lauzeta mover (“Wanneer ik de leeuwerik zie stijgen”) is een van de beroemdste Occitaanse troubadourliederen uit de 12e eeuw, gecomponeerd door Bernart de Ventadorn, een van de belangrijkste dichters en muzikanten van de provençaalse troubadourtraditie. Het lied is een klassiek voorbeeld van de fin’amor (hoofse liefde), waarin de zanger zijn lijden, bewondering en onbereikbare liefde voor een adellijke dame bezingt. De tekst opent met het beeld van een leeuwerik die jubelend opstijgt in de lucht — een metafoor voor geluk, vrijheid en verlangen. De dichter vergelijkt dit met zijn eigen toestand van liefdesverdriet: terwijl de vogel vrij zingt, wordt hijzelf gevangen door wanhoop en passie.

2. Comtessa de Dia – A chantar m’er de so qu’eu no volria (ca. 1175–1200): A chantar m’er de so qu’eu no volria (“Ik moet zingen over datgene waar ik niet over wil zingen”) is het enige volledig bewaarde troubadourlied van een vrouw — Beatriz, Comtessa de Dia, een adellijke dame uit de Provence. Het is geschreven in het Occitaans en behoort tot het genre van de canso, de hoofse liefdeszang. Dit unieke werk biedt een zeldzaam vrouwelijke stem binnen de middeleeuwse troubadourtraditie, waarin meestal mannelijke dichters hun liefde voor een onbereikbare dame bezongen. In A chantar keert de traditionele rolverdeling van de troubadourlyriek om: de vrouw is de sprekende ik-persoon, en zij klaagt over de ontrouw en hardheid van haar geliefde ridder. De Comtessa de Dia wordt in bronnen genoemd als een edelvrouw uit de regio van Die, mogelijk echtgenote van Guillaume de Poitiers en volgens sommige overleveringen minnares van de troubadour Raimbaut d’Aurenga.

3. Giraut de Bornelh – Non puesc sofrir d’amor la pena (ca. 1170): Non puesc sofrir d’amor la pena (“Ik kan het lijden van de liefde niet verdragen”) is een van de meest expressieve troubadourliederen van Giraut de Bornelh, een van de invloedrijkste dichters en componisten uit de Provençaalse hoflyriek van de 12e eeuw. Het lied is een zuiver voorbeeld van de fin’amor, de “verheven liefde”, waarin de troubadour de spanning bezingt tussen hartstocht, eer en het verlangen naar een vaak onbereikbare geliefde. De melodie klinkt vrij, met subtiele ritmische versieringen en een in de minnezang gebruikelijke syllabische opbouw met hier en daar wat melisme.

4. Anoniem (trouvère) – Amis, amis, trop me laissiez (ca. 1200): Amis, amis, trop me laissiez (“Vriend, vriend, u hebt mij te zeer verlaten”) is een trouvèrelied uit het noorden van Frankrijk, daterend uit het einde van de 12e of het begin van de 13e eeuw. Het lied behoort tot het genre van de chanson de femme, waarin een vrouwelijke stem spreekt — vaak een klacht of liefdesverdriet uitdrukkend. Het lied heeft een duidelijke vorm, met een herkenbaar melodisch profiel en is ritmisch minder complex in vergelijking tot troubadoursliederen.

5. Anoniem – Min herze unde min lip die willent scheiden (ca. 1220–1240): Min herze unde min lip die willent scheiden (“Mijn hart en mijn lippen die willen scheiden”) is een Middelhoogduits Minnelied, waarschijnlijk afkomstig uit de vroege 13e eeuw. Het behoort tot het genre van de Minnesang, de Duitse hoflyriek waarin ridderlijke liefde, trouw en hoofse idealen centraal staan. Het werk is anoniem, maar vertoont typische kenmerken van de vroege Minnesänger die beïnvloed waren door de troubadour- en trouvèretradities.

6. Anoniem – Der Wächter sang von minnen wol (ca. 1200–1220): Der Wächter sang von minnen wol (“De wachter zong goed van de liefde”) is een Middelhoogduitse Tagelied, een typisch genre uit de Minnesangtraditie van de 12e en vroege 13e eeuw. Het lied beschrijft de afscheidsscène van twee geliefden bij het aanbreken van de dag, waarbij een wachter (der wächter) hen waarschuwt dat de ochtend nadert en dat zij moeten scheiden voordat hun geheime liefde wordt ontdekt. Het Tagelied was een geliefd thema binnen de Minnesang, de Duitse hoflyriek, en werd vaak gezongen aan hoven waar ridderlijkheid, eer en hoofse liefde hoog in aanzien stonden.

7. Anoniem – Seigneurs, sachiez qui or ne s’en ira (Franse kruistochtzang, ca. 1150–1200): De Franse kruistochtzang Seigneurs, sachiez qui or ne s’en ira is een van de beroemdste liederen uit de tijd van de kruistochten, een genre waarin poëzie, propaganda en religieuze vroomheid samenkwamen. Het lied werd waarschijnlijk gecomponeerd rond het einde van de 12e eeuw, in de context van de Derde Kruistocht (1189–1192), en diende als oproep tot deelname aan de heilige oorlog tegen de moslims in het Heilige Land. Muzikaal en tekstueel toont het de overgang van epische voordracht naar persoonlijke lyriek binnen de Franse troubadourtraditie.

8. Walther von der Vogelweide - Palästinalied (~1200): Walther von der Vogelweide (ca. 1170–ca. 1230) wordt beschouwd als de grootste Duitse minnezanger (Minnesänger). Hij was actief in het Heilige Roomse Rijk, voornamelijk in Oostenrijk, Beieren en Thüringen. Walther combineerde persoonlijke expressie, politieke observatie en hoffelijke lyriek. Zijn repertoire omvat zowel wereldlijke minnelieder als religieuze en politieke liederen, waardoor hij een zeer veelzijdige figuur is in de middeleeuwse muziek. Het Palästinalied behoort tot zijn wereldlijke en religieus geïnspireerde oeuvre en is een van de weinige liederen die specifiek verwijzen naar de Kruistochten, in het bijzonder de Derde Kruistocht (1189–1192). Het lied illustreert ook de regionale variatie binnen de middeleeuwse lyriek: terwijl de troubadours en trouvères hoofse liefde benadrukten, legde Walther nadruk op strijd, eer en geloof.

9. Heinrich von Veldeke / Richard de Semilli – Als die vogele singen (ca. 1170–1190): Heinrich von Veldeke is een pionier van Middelhoogduitse literatuur, actief in de late 12e eeuw, die Franse troubadourinvloeden vertaalde naar de Duitse hofcultuur. Zijn werken — zowel episch (Eneasroman) als lyrisch (minneliederen zoals Als die vogele singen) — combineren hoofse idealen, poëtische elegantie en emotionele verfijning. Hij wordt erkend als de eerste grote Minnesänger en literaire meester van het Middelhoogduits, en zijn invloed reikt tot de literatuur van de 13e en 14e eeuw in de Duitse hoven. Als die vogele singen (“Wanneer de vogels zingen”) is een lyrisch liefdeslied uit de overgangsperiode tussen de Provençaalse troubadourkunst en de Duitse Minnesang, toegeschreven aan Heinrich von Veldeke, maar melodisch verwant aan een compositie van de Franse trouvère Richard de Semilli. Het werk toont de nauwe culturele uitwisseling tussen de Franse en Duitse hoflyriek in de late 12e eeuw.


1. Hans Sachs – Nachdem David war redlich (ca. 1550): Nachdem David war redlich (“Toen David rechtvaardig was”) is een Middelhoogduits lied van Hans Sachs, een van de bekendste en productiefste Meistersänger uit de 16e eeuw. Het werk weerspiegelt de traditie van de Meistersinger: een combinatie van poëtische striktheid, moraal en muzikale eenvoud.

2. Medieval Religious & Sacred Music | Ancient Christian Hymns of the Middle Ages: Het lied Nun bitten wir den Heiligen Geist (13e eeuw, Duits) is een voorbeeld van een Leise — een Nederlandse/vroege Duitse volkstaal‑hymne; geen geschikt voorbeeld op YouTube gevonden. Wel een compilatie van middeleeuwse religieuze liederen. Deze liederen tonen de overgang tussen kerkelijke muziek (in vorm of sfeer) en een meer volkse stijl: ze zijn in de volkstaal (niet alleen Latijn) wat ze toegankelijker maakte voor leken. Ze zijn meestal éénstemmig of eenvoudig geharmoniseerd. Ze werden gebruikt buiten het formele liturgische kader.


1. Sumer Is Icumen In: Sumer Is Icumen In (‘De zomer komt eraan’ / ‘De zomer is aangebroken’) is een middeleeuws Engels lied dat minstens uit de 13e eeuw stamt. Het is een vroeg voorbeeld van een canon, waarbij zangers meerdere melodieën met elkaar verweven om een rijk gestructureerd lied te creëren.

2. Mirie it is while sumer ilast: (Vrolijk is het zolang de zomer duurt) gaat over het verlangen naar de zomer in het licht van het naderende koude weer. Het is een van de oudste liederen in de Engelse taal en een van de weinige voorbeelden van niet-liturgische muziek uit middeleeuws Engeland. Het manuscript werd samen met twee oude Franse liederen gevonden in een psalmenboek in de Bodleian Library. De tekst en melodie zijn onvolledig wat het moeilijk maakt om het lied te reconstrueren. De ouderdom van het manuscript kan in ieder geval worden afgeleid uit ander bewijsmateriaal. De neumennotatie werd bijvoorbeeld in Engeland rond het midden van de 13e eeuw vervangen door modale en mensurale notatie . Op basis van taalkundige kenmerken dateert het manuscript met "Mirie it is" uit de eerste helft van de 13e eeuw en bevindt het zich in het dialectgebied van de Midlands.

3. Rondom Egidius. De uitgave van het complete Gruuthuse-handschrift: Het Gruuthusehandschrift is een middeleeuws verzamelhandschrift, in Brugge samengesteld, waarvan de oudste kern dateert van omstreeks 1395, terwijl de jongste bijdragen stammen uit omstreeks 1408. Het maakte waarschijnlijk deel uit van de Bibliotheek van Lodewijk van Gruuthuse. Het handschrift geldt als de enige bron voor een groot aantal Middelnederlandse teksten. Sinds 2007 wordt het bewaard in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Tot de liederen in het manuscript behoren het beroemde 'Egidiuslied' en het Kerelslied.

4. Aloeette, voghel clein: Het Gruuthuse-manuscript is de grootste bewaard gebleven verzameling middeleeuwse Nederlandse profane liedteksten met muzieknotatie, en omvat 147 liederen waarin hoofse liefde, devotie en seculiere thema's die kenmerkend zijn voor de late middeleeuwen worden gecombineerd. Deze compilatie, die dateert uit circa 1400, bevat unieke teksten – waarvan vele alleen uit deze bron bekend zijn – die licht werpen op de volkse poëtische en muzikale tradities van de Lage Landen, waaronder werken als het elegische Egidius, waer bestu bleven en het speelse Aloeette voghel clein. Het belang ervan ligt in het documenteren van de versmelting van religieuze en wereldlijke uitingen, zoals gebeden die de Salve Regina parafraseren naast schunnige verzen over liefde en verwantschap, die de veelzijdige smaak van de stedelijke elite weerspiegelen.

De liederen omvatten een verscheidenheid aan genres die de hoofse en stedelijke cultuur van Brugge weerspiegelen, waaronder seculiere liefdesliederen in vormen die lijken op rondeaux en virelais, devotionele hymnen gericht aan figuren als Jezus of de Maagd Maria, en stukken met dansachtige ritmes die doen denken aan rondeau-structuren (bijvoorbeeld “Aloeette voghel clein”). Veel ervan bevatten refreinen die zijn geïnspireerd op Franse modellen, maar zijn aangepast aan het Middelnederlands, waarbij lyrische en ritmische elementen uit continentale tradities worden gecombineerd. De thema's variëren van hoofse romantiek en bedwelming tot religieuze vroomheid, wat het dubbele karakter van het manuscript, zowel sacraal als seculier, onderstreept.

5. Het soude een scamel mersenier: Lied uit het Gruuthuse manuscript (Brugge, ca. 1400). Na een dag op pad te zijn geweest ontmoet een marskramer een meisje. Aan dubbelzinnigheden geen gebrek: hij heeft een `speldje' dat in haar `kokertje' past. Zo gezegd, zo gedaan.

Het soude een scamel mersenier
Coopmanscepe leren;
Hi hiet armen Tutebier,
Hi const hem wel gheneren.
Daer hisinen canis drouch,
Een joncfrauwe riepen ende soe louch:
« Comt hier na, goet meerseman! »
Naelden, spellen, trompen, bellen,
Ic wil mijn merse hier nederstellen,
Laet zien of ic vercopen can.

(Zie voor de volledige tekst op: www.liederenbank.nl)

6. Sceiden, onverwinlic leit: Lied uit het Gruuthuse manuscript (Brugge, ca. 1400). Aanklacht tegen de scheiding van de geliefde. Van je lief gescheiden worden is erg, maar gescheiden zijn is nog erger. Hoe langer het duurt, hoe erger de pijn wordt. Alleen de hoop op hereniging doet me nog voortleven.

Sceiden, onverwinlic leit,
Onvruechdelijc es dijn beghin,
Dat nemic waerlic up mijn heit:
Ten brinct gheen dinc meer lidens in.
Sceiden, du dwinx herte ende zin.
So langher tijt, so meer verdriet,
Sceiden, du ne ghenouchs mi niet.

(Zie voor de volledige tekst op: www.liederenbank.nl)

7. Cantigas de Santa María: De Cantigas de Santa María zijn een van de belangrijkste muzikale en literaire werken uit de Europese middeleeuwen. Deze composities, geschreven in het Galicisch-Portugees tijdens het bewind van Alfons X de Wijze, zijn een uitzonderlijk voorbeeld van de culturele versmelting tussen christenen, joden en moslims op het Iberisch schiereiland in de 13e eeuw.

8. Cantigas de Santa Maria project - Alfonso X of Castile El Sabio (1221–1284). Cantiga-No 1: De Cantigas de Santa Maria zijn 420 gedichten met muzieknotatie, geschreven in het middeleeuwse Galicisch-Portugees tijdens het bewind van Alfonso X van Castilië El Sabio (1221–1284). Het is een van de grootste verzamelingen eenstemmige liederen uit de middeleeuwen en wordt gekenmerkt door de vermelding van de Maagd Maria in elk lied, terwijl elk tiende lied een hymne is. Dit is het eerste loflied aan de Heilige Maria, waarin de zeven vreugden worden opgesomd die zij van haar Zoon heeft ontvangen.

Vanaf deze dag zal ik zingen voor de Geëerde Vrouwe in wie God ervoor koos om gezegend en heilig vlees aan te nemen om ons een grote beloning te geven in Zijn Koninkrijk en Zijn volgelingen het eeuwige leven na te laten, zodat wij niet opnieuw de dood hoeven te ondergaan. Daarom wil ik beginnen met hoe zij door Gabriël werd begroet toen hij haar kwam halen: “O, gezegende Maagd, geliefde van God, u draagt nu Hem in u die de wereld zal redden, en uw familielid Elisabeth, die twijfelde, heeft daarmee ongelijk gekregen.” Vervolgens wil ik u vertellen hoe Zij in Bethlehem aankwam. Omdat Zij vermoeid was, zocht Zij onderdak bij de poorten van de stad en kort daarna baarde Zij Jezus Christus. Als een arme en ongelukkige vrouw legde Zij Hem in de kribbe waar zij de gerst bewaren, om te rusten tussen de dieren van het veld.

De Zeven Vreugden van de Maagd is een populaire devotie voor gebeurtenissen uit het leven van de Maagd Maria, voortkomend uit een stijlfiguur uit de middeleeuwse devotieliteratuur en -kunst.

1- De Onbevlekte Maagd ontving Jezus vreugdevol door de Heilige Geest.

2- Zij droeg Jezus vreugdevol toen zij Elisabeth ging bezoeken.

3- De Onbevlekte Maagd bracht Jezus vreugdevol ter wereld.

4- De Moeder van God toonde Jezus vreugdevol aan de drie koningen.

5- De Onbevlekte Maagd Maria vond Jezus vreugdevol terug in de tempel.

6- De Onbevlekte Maagd Maria aanschouwde Jezus vreugdevol na zijn verrijzenis.

7- De Onbevlekte Maagd Maria werd vreugdevol door Jezus in de hemel ontvangen en gekroond tot Koningin van hemel en aarde.

9. Santa Maria, strela do dia: Santa Maria, strela do dia (Cantiga 100) is een beroemd middeleeuws Galicisch-Portugees lied uit de Cantigas de Santa Maria, een verzameling uit de 13e eeuw samengesteld aan het hof van koning Alfonso X. Het is een lofzang op de Maagd Maria, vaak beschreven als "ster van de dag".

10. Alfonso X "El Sabio": Cantigas de Santa Maria: 1. A que por muy gran fremosura, 2. Non sofre Santa Maria, 3. Entre Av'e Eva, 4. Virgen Madre groriosa, 5. A que Deus ama, amar devemos, 6. A Virgen, que de Deus Madre, 7. Como pod'a Groriosa, 8. Non devemos por maravilla teer, 9. Virga de Jesse

11. Laudario di Cortona - Laude novella sia cantata: Het lauda-repertoire vertegenwoordigt binnen de muziek hetgeen het dichtst in de buurt komt van de religieuze beleving van het gewone volk. Dit waren niet-adellijke Italianen die hymnen zongen in hun moedertaal, geen geestelijken die in het Latijn zongen. Let op de sprong van een grote sext in de tweede regel van het couplet – iets wat zeldzaam is in middeleeuwse muziek!

12. Laudario di Cortona No.91: De Laudario di Cortona, ongeveer 140 jaar geleden ontdekt in het archief van de bibliotheek van het kleine Toscaanse stadje Cortona, is een 13e-eeuws manuscript met 66 laude, of lofzangen: een soort volkse liederen geschreven ter ere en aanbidding. Bijzonder is dat ongeveer 46 van de lofzangen op muziek zijn gezet, waardoor dit manuscript de oudst bekende verzameling muziek is die in het Italiaanse volks dialect is geschreven. Alle periodes van de christelijke kalender zijn vertegenwoordigd, met lofzangen die betrekking hebben op Kerstmis, Driekoningen, Pasen en Pinksteren, wat het voortdurende belang van het manuscript gedurende het hele jaar aantoont. Het document is afkomstig van de Broederschap van Santa Maria delle Laude, een groep monniken die zich toelegden op de verering van Maria. Thema's rond de Maagd Maria komen dan ook in veel van de lauden voor, bijvoorbeeld in Ave Maria, gratïa plena (Wees gegroet, Maria, vol van genade) of O Maria, d’omelia se’ fontana (O Maria, gij zijt de bron van heilige kennis). Deze middeleeuwse werken worden uitgevoerd door het vocaal ensemble Armoniosoincanto.

13. Laude novella. Laudario di Cortona (Italia, s. XIII): Laat een nieuw loflied klinken voor de grote gekroonde dame! Frisse maagdelijke jonkvrouw, eerste bloem, pas ontloken roos, de hele wereld roept je aan; je bent geboren op een gelukkig moment. Je bent een bron van levend water, moeder van de levende God: je bent het licht van ons allen, verheven boven de engelen. Je bent scepter, je bent bloem, je bent stralende maan: we verlangen met heel ons hart naar jou, prachtige vrouw! Je bent roos, je bent lelie, je hebt je lieve zoon gebaard, daarom, geëerde dame, beloof ik je te loven. Je bent een ark van nederigheid, een vat van alle heiligheid; in jou kwam de goddelijkheid, je werd begroet door de engel. Je bent de frisheid van de maagden, je bent de eer van de bruiden, en je hebt iedereen lief, zo groot is je genade. Geen enkele taal kan beschrijven hoezeer je lofwaardig bent: je naam doet zelfs Satan duizend keer beven. Ik smeek je, mijn advocate, om mij op het rechte pad te brengen; moge onze broederschap altijd door jou worden goedgekeurd. Wij bevelen je deze stad aan, opdat je haar tegen elke oorlog beschermt: wie je beledigt, vergist zich en heeft het echt mis, o gezegende vrouw!

Hoewel het een uitdrukking van het volksgebed is, vertonen de teksten van het Laudario stilistische en formele kenmerken die rijk zijn aan retorische kunstgrepen, te beginnen met de metrische structuur. De laude voorzien in de uitvoering van de strofen door solisten of kleine groepen zangers, maar laten ook de gelovigen toe om mee te zingen met het refrein, dat heel eenvoudig te onthouden is. Hier worden de twee eerste negenregelige strofen van de ballade (schema: aa) als refrein gezongen na elk van de vierregelige strofen (schema: bbba, ccca, ddda enz.) waaruit de lauda is opgebouwd. Qua stijl en taal zijn deze teksten nog sterk afhankelijk van de Latijnse hymne, waarin echter thema's en stijlen uit de hoofse poëzie zijn verwerkt, door de Maagd voor te stellen als redder van zondaars en bemiddelaarster van goddelijke genade. Dante Alighieri blijkt een diepgaande kenner van deze thema's te zijn, in zijn geïnspireerde visie op de deugden van de Maagd en ook van Beatrice.

14. Gloria'n cielo e pace'n terra: Het Cortona Laudario uit het einde van de 13e eeuw bevat deze prachtige bewerking van de lauda (Italiaanse lofzang) ‘Gloria in cielo’. Het refrein weerspiegelt de begroeting van de engelen aan de herders, waarin de geboorte van Christus wordt aangekondigd. De coupletten prijzen het Christuskind en zijn moeder. Laude in de volkstaal zijn waarschijnlijk afgeleid van de troubadourstraditie, maar vonden hun thuis in Italiaanse broederschappen, groepen van leken die samen kwamen om te bidden. Deze liederen combineren emotionele taal en persoonlijke verbondenheid met christelijke vroomheid en religieuze toewijding. ‘Gloria in cielo’ viert het kerstverhaal zowel op een kosmisch als op een intiem niveau.

15. Maria Muoter Reinu Mait - German, 1349: Dit is een moderne reconstructie van het lied Maria Muoter reinu mait (1349), waarschijnlijk het bekendste bewaarde Geisslerlied. De uitvoering is instrumentaal + vocaal, met middeleeuwse instrumenten en geeft een idee van hoe zulke liederen kunnen hebben geklonken. Geißlerlieder waren eenstemmig en zonder instrumentale begeleiding; instrumentatie werd in oorspronkelijke context expliciet verboden. De teksten waren meestal in volkstaal en eenvoudig; vaak vormde een leider het couplet, waarna de hele groep het refrein zong. Volgens historische bronnen werd het repertoire van de Geißlerlieder grotendeels opgetekend door Hugo Spechtshart van Reutlingen in 1349.

16. Maria mûter rainû maît: Het Geisslerlied Maria muoter, reinu mait is een religieus boetelied uit de late middeleeuwen, ontstaan binnen de beweging van de Geißlerbewegung. Deze groepen van zogenoemde geselaars trokken in de 14e eeuw zingend en biddend door steden en dorpen, vooral in gebieden van het huidige Duitsland en Zwitserland. Het lied is gewijd aan Maria en bezingt haar als “reine maagd”, waarbij smeekbeden om genade en verlossing centraal staan. De eenvoudige, strofische melodie maakte het geschikt om gezamenlijk te zingen tijdens processies. Muzikaal en taalkundig vormt het lied een belangrijk document van volksreligiositeit: het staat geschreven in een vroege vorm van Middelhoogduits en laat zien hoe religieuze emoties en collectieve angst in zang werden uitgedrukt.

17. Nu tret herzuo der boessen welle: Nu tret herzuo der bóssen welle is een lied van de flagellantenbeweging ter gelegenheid van de Grote Pest van 1349. De kroniekschrijver Hugo Spechtshart uit Reutlingen beschrijft in Latijnse verzen en rubrieken hoe de flagellantenbeweging voet aan de grond kreeg in de pestjaren, geeft enkele genoteerde voorbeelden van de begeleidende processieliederen en “uitvoeringsinstructies” voor enkele van de liederen. Het onderhavige heeft de volgende beschrijving: "Toen de flagellanten zich wilden geselen en zich zo ver hadden uitgekleed dat hun hemden vanaf de navel naar beneden hingen, begonnen ze de voorgaande verzen onder de eerder genoemde melodie te zingen en de twee voorzangers zongen steeds de halve strofe, die vervolgens door alle anderen werd herhaald. ..."


1. Medieval music - Estampie: De estampie is een middeleeuwse dans- en muziekvorm die in de 13e en 14e eeuw een populaire instrumentale en vocale vorm was.

2. La Septime Estampie Real and Istampitta In Pro: Middeleeuwse muziek: De Septime Estampie Real uit Parijs, Bibliothèque Nationale en de Istampitta In Pro uit de British Library, uitgevoerd door Hanneke van Proosdij, blokfluit, en Peter Maund, percussie. Live HD-video van het faculteitsconcert van de San Francisco Early Music Society Recorder Workshop. Vroegmiddeleeuwse dansmuziek bestaat vaak alleen uit een monofone melodie – de rest wordt geïmproviseerd door de uitvoerders.

3. Medieval And Renaissance Music Estampie (Dance Instrumental) (Anonymous) - England XIII Century: Middeleeuwse en renaissancemuziek Estampie (dans) (instrumentaal) (anoniem) - Engeland, 13e eeuw.

4. La Quarte Estampie Royal - Estampies & Danses Royales: De melodieën zijn bewaard gebleven in een liedboek uit de dertiende eeuw, het zogenaamde ‘Chansonnier du Roi’, dat tegenwoordig zo heet omdat het speciale aandacht besteedt aan de liederen van koning Thibaut IV van Navarra (ca. 1201 - 1253 n.Chr.). Het is een groot boek met meer dan 200 perkamenten bladen van 32 x 22 cm). Een groot deel ervan is kostbaar gekopieerd en versierd, maar het heeft een rijke en complexe geschiedenis: toevoegingen, herschikkingen, latere aantekeningen en nog veel meer maken de oorsprong en veranderingen moeilijk te traceren. Het lijkt te zijn begonnen als een verzameling monofone liederen in het Frans, wat we het ‘trouvère-repertoire’ noemen; daarna werden er verschillende andere items toegevoegd, waaronder een groep polyfone motetten. Wat betreft de liederen waaruit het ‘chansonnier’ bestaat, zijn er meer dan 400 en ze zijn voornamelijk gekopieerd vanwege hun lange en uitgebreide teksten. De dansen die te horen zijn, lijken pas laat in de geschiedenis te zijn toegevoegd, misschien in het begin van de veertiende eeuw. De ‘estampies’ zijn genummerd in het manuscript en er zijn redenen om aan te nemen dat ze als een cyclus waren bedoeld: hun formele opzet doet immers sterk denken aan de ‘lai’ uit die tijd, een extreem lange liedvorm met maximaal twaalf strofen, allemaal met verschillende muziek, maar allemaal met de ‘open’ en ‘gesloten’ eindes die we ook bij deze kleine ‘estampies’ aantreffen.

5. La Seconde Estampie Royal: zie 4. hierboven.

6. English Dances: nota manuscript, Oxford, Bodleian Library, Douce 139: De English Dances in het handschrift Bodleian Library, MS Douce 139 vormen een zeldzaam voorbeeld van vroege wereldlijke muziek uit Engeland. Het manuscript, dat rond 1270 werd samengesteld, is voornamelijk een juridisch verzamelhandschrift, maar bevat ook een korte anonieme dansmelodie die later de naam English Dance kreeg. De muziek is genoteerd in vroege mensurale notatie en geldt als een van de oudste overgeleverde instrumentale dansstukken uit Engeland. Omdat de notatie slechts beperkt aanwijzingen geeft over ritme en uitvoering, blijft de praktische interpretatie deels speculatief, wat het stuk juist belangrijk maakt voor onderzoek naar middeleeuwse danspraktijk en instrumentale muziek vóór 1300.

7. Ar Ne Kuth Estampie: Ar Ne Kuth Estampie is een anonieme instrumentale dansmelodie uit de late 13e of vroege 14e eeuw en behoort tot de vroegste overgeleverde voorbeelden van wereldlijke dansmuziek uit Engeland. Het stuk is bewaard gebleven in het handschrift Bodleian Library, MS Douce 139, waarin het als een losse muzikale notitie voorkomt tussen niet-muzikale teksten. De titel is waarschijnlijk later toegekend en weerspiegelt Middelengelse taalvormen. Muzikaal sluit het werk aan bij de middeleeuwse estampie, een dansvorm die bestaat uit herhaalde secties met variërende slotformules. Door de beknopte en enigszins ambigue notatie is de precieze uitvoering onbekend, maar het stuk vormt een belangrijke bron voor kennis over vroege instrumentale muziek en danspraktijk in middeleeuws Engeland.


1. The Birth of Polyphony - Different Types of Organum Explained: In deze video verkennen we de oorsprong van polyfonie in Europa en de ontwikkeling ervan in verschillende stijlen. We luisteren naar voorbeelden van Notre Dame-polyfonie van Leonin, Perotin en andere anonieme componisten: Inleiding; Bewijzen van vroege polyfonie; Orgelpunt; Parallel organum; Gemengd of afwijkend organum; Vrij organum; Discant en versierd organum; Notre Dame-polyfonie; Hoe luister je naar organum? “Viderunt Omnes” van Leonin; “Viderunt Omnes” van Perotin; Respons van tijdgenoot John van Salisbury.


1. O Jerusalem, aurea civitas – Hildegard von Bingen: Hildegard von Bingen (1098–1179) was een van de meest uitzonderlijke figuren van de middeleeuwen: een benedictijns abdis, mystica, componiste, geneeskundige, visionair en theologe. Zij wordt vaak beschouwd als de eerste componist in de westerse muziekgeschiedenis van wie we een groot, coherent oeuvre kennen. Haar veelzijdige nalatenschap maakt haar tot een van de meest invloedrijke vrouwen van de middeleeuwse cultuur.

O Ierusalem, aurea civitas is een van de vele lyrisch-mystieke gezangen die Hildegard von Bingen componeerde binnen haar grote verzameling Symphonia armoniae celestium revelationum. Het stuk is een antifoon ter ere van Sint Rupert, de heilige bisschop van Salzburg, die Hildegard bijzonder vereerde. Het stuk bezingt Jeruzalem als het hemelse, gouden stad – een spiritueel ideaal dat symbool staat voor reinheid, vrede en goddelijke harmonie. Het verbindt de heilige stad met het leven en de deugden van Sint Rupert, die wordt beschreven als een lichtend voorbeeld van geloof.

2. Hildegard von Bingen - Ordo Virtutum: Hildegard von Bingen (1098–1179) was een benedictijnse abdis, mystica, theoloog, wetenschapper en componiste. Ze leidde het klooster Rupertsberg bij Bingen am Rhein, waar ze ook haar visioenen optekende in werken zoals Scivias (“Ken de wegen”). Binnen dat visioenboek staat Ordo Virtutum — De Orde van de Deugden — als afsluitend muzikaal-dramatisch visioen dat de strijd van de menselijke ziel voorstelt. Het is dus niet zomaar een toneelstuk of liturgisch spel, maar eerder een visueel-muzikaal visioen van het geestelijke leven, geopenbaard aan Hildegard zelf. Het is rond 1151–1160 geschreven, en behoort het tot de eerste voorbeelden van heilige drama’s in de Westerse traditie, meer dan een eeuw vóór de liturgische spelen van de late Middeleeuwen.

Het werk omvat 82 korte gezangen (antifonen, responsoria, melodische verzen) die samen een allegorisch drama vormen. De hoofdrollen zijn: De Anima – de menselijke ziel, die worstelt tussen goed en kwaad; De Virtutes – de Deugden (zoals Caritas, Humilitas, Spes, Castitas, Misericordia), die zingen om haar tot God terug te leiden; De Diabolus – de duivel, die probeert de ziel te verleiden en te doen vallen; De Patriarchae et Prophetae – de voorvaderen en profeten, die het heil aanschouwen. De Ordo Virtutum verbeeldt de spirituele weg van de ziel: van haar roeping, via de bekoring en val, tot boetedoening en uiteindelijke verlossing door de Deugden. Decentrale boodschap is het proces van innerlijke strijd dat elke mens moet aangaan.

Muzikaal gezien bestaat het werk volledig uit monodische zang (éénstemmig, zonder instrumentale begeleiding), in de gregoriaanse traditie, maar met Hildegards kenmerkende stijl: grote melodische sprongen, waardoor de extatische, visionaire toon ontstaat; uitgebreide melismen (lange versierde reeksen op één lettergreep); modaliteit die soms afwijkt van de strikte kerkmodi, wat haar eigen, bijna mystieke kleur verleent. Uniek is dat de Duivel de enige rol is die niet zingt — hij spreekt of schreeuwt zijn tekst. Daarmee toont Hildegard symbolisch dat het kwaad geen deel heeft aan de hemelse harmonie; het kan niet zingen, omdat zingen een vorm van orde en goddelijke resonantie is.

3. In Rama sonat gemitus – anoniem: ‘In Rama sonat gemitus’ (Het geluid van geween is te horen in Rama) is een anoniem werk (conductus) dat te vinden is in het Franse manuscript Wolfenbüttel 677. Met behulp van bijbelse toespelingen geeft het een directe commentaar op de ballingschap van Thomas Becket, aartsbisschop van Canterbury, van Engeland naar Frankrijk in 1164. Hoewel hij uiteindelijk in 1870 naar Engeland terugkeerde, werd hij slechts enkele maanden later vermoord. Dit dateert In Rama sonat gemitus in de jaren van zijn ballingschap: 1165-1170. (Uitgevoerd als een processie van ‘huilende vrouwen’)

4. Pange lingua gloriosi corporis mysterium: Notatie van Gregoriaanse gezangen uit het Liber Usualis (1961), pp. 957-959. Latijnse teksten gezongen door het Choeur Gregorien de Paris. (Het Liber Usualis Missae et Officii – meestal kortweg Liber Usualis genoemd – is een omvangrijk liturgisch boek dat in de rooms-katholieke Kerk wordt gebruikt voor de gregoriaanse gezangen bij zowel de Mis (de eucharistieviering) als het Officie (het getijdengebed, zoals lauden, vespers en metten). Het boek bevat een rijke verzameling van liturgische teksten en muziek, die bedoeld zijn om gezongen te worden tijdens het kerkelijk jaar.)


1. Performance of a newly-discovered 10th century organum: Na de ontdekking van het vroegst bekende voorbeeld van polyfone muziek voor praktisch gebruik door promovendus Giovanni Varelli, volgt hier een voorbeeld van hoe het geklonken zou kunnen hebben. Het stuk wordt uitgevoerd door Quintin Beer en John Clapham, beiden muziekstudenten aan St John's College, Cambridge.

2. Rex caeli, Domine (Sequens in parallel organum): Middeleeuwse meerstemmigheid. Voorbeeld parallel organum.

3. Alleluia: Angelus domini; Respondens / Alleluia: Justus ut palma / Alleluia: Angelus domini (vroeg en vrij organum): Organum is, in het algemeen, een gregoriaanse melodie waaraan ten minste één stem is toegevoegd om de harmonie te versterken, ontwikkeld in de middeleeuwen. Afhankelijk van de toonsoort en vorm van het gezang kan een ondersteunende baslijn (of bourdon) op dezelfde tekst worden gezongen, kan de melodie in parallelle beweging worden gevolgd (parallel organum), of kan een combinatie van beide technieken worden toegepast. Aangezien er geen echte onafhankelijke tweede stem bestaat, is dit een vorm van heterofonie. In de vroegste stadia bestond organum uit twee muzikale stemmen: een Gregoriaanse melodie en dezelfde melodie getransponeerd met een consonant interval, meestal een reine kwint of kwart. In deze gevallen begon en eindigde de compositie vaak in unisono, waarbij de toegevoegde stem de oorspronkelijke toon aanhield totdat het eerste deel een kwint of kwart had bereikt, vanwaar beide stemmen in parallelle harmonie verder gingen, met het omgekeerde proces aan het einde. Organum was oorspronkelijk geïmproviseerd; terwijl één zanger een genoteerde melodie (de vox principalis) uitvoerde, zorgde een andere zanger – die ‘op gehoor’ zong – voor de niet-genoteerde tweede melodie (de vox organalis). Na verloop van tijd begonnen componisten toegevoegde partijen te schrijven die niet alleen eenvoudige transposities waren, waardoor echte polyfonie ontstond.

Het eerste document dat specifiek organum beschreef en regels gaf voor de uitvoering ervan, was de Musica enchiriadis (ca. 895), een verhandeling die traditioneel (en waarschijnlijk ten onrechte) wordt toegeschreven aan Hucbald van St. Amand.

Na het parallelle organum wordt verondersteld dat de volgende ontwikkeling in de praktijk van het organum het vrije organum was. De vroegste voorbeelden van deze stijl, die dateren uit ongeveer 1020-1050 (de Micrologus van Guido van Arezzo en de Winchester Troper), maken gebruik van parallelle beweging en schuine beweging (de bovenstem beweegt terwijl de tenor één noot vasthoudt), maar de introductie van tegengestelde beweging (stemmen die in tegengestelde richtingen bewegen) en gelijkaardige beweging (stemmen die in dezelfde richting bewegen, maar naar verschillende intervallen) leidde tot steeds vrijere muzikale lijnen – een voorwaarde voor contrapunt.

4. Kyrie IV (uit Missa IV) / eenstemmig (~800?): Het Kyrie is het eerste der vijf ordinariumdelen. Het bestaat uit drie aanroepingen (Kyrie eleison-Christe eleison-Kyrie eleison), die elk drie keer worden gezongen. Het melismatische karakter van dit uit Missa IV (Missa Cunctipotens Genitor Deus) afkomstige Kyrie is duidelijk.

  • Kyrie: smeekbede

  • Kyrie eleison: Grieks: Heer ontferm U (over ons)

  • Christe eleison: Grieks: Christus ontferm u (over ons)

  • Ordinarium: reeks gezangen van de Mis, namelijk Kyrie, Gloria, Credo, Sanctus-Benedictus en Agnus Dei.

  • Melismatisch: er worden meer noten op een lettergreep gezongen

  • Cunctipotens Genitor Deus: Almachtige Vader God

5. Kyrie IV (uit Missa IV) / Parallel Organum (~900?): De eenstemmigheid wordt afgewisseld met een liggende toon en parallel organum in kwinten, waardoor er meerstemmigheid ontstaat.

6. Kyrie IV (uit Missa IV) / met ingevoegde trope (~900?): Het melismatische karakter van het voorgaande Kyrie wordt grotendeels opgeheven door toevoeging van een nieuwe tekst, de trope. De melodische lijn is weliswaar bewaard gebleven maar de melismatische passages zijn door toevoeging van de nieuwe tekst syllabisch geworden. De onderhavige Latijnse tekst Omnipotens genitor wordt toegeschreven aan de monnik Tuotilo van St. Gallen (gestorven ca. 915). Door het Concilie van Trente [1545-1563] werden alle tropenteksten verboden, maar niettemin bleef men de nu weer melismatische gezangen naar hun vroegere toegevoegde tekst noemen. Aldus wordt het Kyrie in vorig voorbeeld nog steeds Kyrie cunctipotens genoemd.

  • Kyrie: smeekbede

  • Trope: toevoeging van een nieuwe tekst in een bestaande compositie

  • Melismatisch: er worden meer noten op een lettergreep gezongen

  • Syllabisch: iedere lettergreep krijgt een noot

  • Omnipotens Genitor: Almachtige Vader

  • Cunctipotens: Almachtig


1. Organum duplum “Jubilemus, exultemus”: Het organum duplum Jubilemus, exultemus ontstond in de late twaalfde eeuw binnen de muzikale traditie rond de kathedraal van Notre-Dame de Paris, waar de zogenoemde Notre-Dame-school een belangrijke rol speelde in de ontwikkeling van meerstemmige kerkmuziek. In tegenstelling tot het eenstemmige gregoriaans werd hier een tweede stem toegevoegd boven de oorspronkelijke zangmelodie. In een duplum bestaat de muziek uit twee lagen: een langzaam voortschrijdende onderstem (tenor) en een vrij bewegende bovenstem.

Het werk wordt meestal verbonden met de componist Léonin, die organa verzamelde in het Magnus liber organi voor gebruik tijdens belangrijke kerkelijke feestdagen. De jubelende tekst en de versierde bovenstem geven het stuk een feestelijk karakter. Tegelijk laat het zien hoe in deze periode de basis werd gelegd voor latere, complexere polyfonie, verder ontwikkeld door onder anderen Pérotin.

2. Lux refulget - Saint Martial School: Lux refulget is een voorbeeld van meerstemmige kerkmuziek uit de zogenoemde Saint Martial School, een belangrijke muzikale traditie die in de elfde en twaalfde eeuw ontstond rond de abdij van Abbaye Saint-Martial de Limoges in Zuid-Frankrijk. Deze school vormt een vroege fase in de ontwikkeling van polyfonie, nog vóór de bloeitijd van de Parijse Notre-Dame-stijl. Componisten experimenteerden hier met het toevoegen van een tweede stem aan gregoriaanse melodieën, maar de muziek bleef doorgaans vrij en vloeiend van karakter, zonder het strakke ritmische systeem dat later zou ontstaan. In Lux refulget draagt de oorspronkelijke gregoriaanse zang de basis van het stuk, terwijl de bovenstem sierlijke melismen toevoegt die de tekst extra expressie geven.

1. Anoniem – Da laudis, homo, nova cantica (Conductus, ca. 1200): Het Conductus Da laudis, homo, nova cantica is een voorbeeld van een middeleeuws religieus lied uit de vroege 13e eeuw, gecomponeerd in de Franse of Noord-Franse traditie. Het genre conductus ontstond rond 1150–1250 en werd gekenmerkt door ritmisch gestructureerde, eenstemmige of tweestemmige muziek, vaak met religieuze of morele teksten, bedoeld voor uitvoering door clerici of leken tijdens processies of liturgische vieringen.

2. Anoniem – Cedit frigus hiemale (Conductus, ca. 1200): Het middeleeuwse lied Cedit frigus hiemale (“De winterkou wijkt”) is een Latijnse conductus uit het einde van de 12e of het begin van de 13e eeuw, afkomstig uit de kring van de Notre-Dame-school van Parijs. Het stuk behoort tot het genre van de conductus, een religieus of moraliserend lied met ritmisch georganiseerde, vaak strofische tekst en nieuwe, niet-gregoriaanse melodie.

3. Anoniem – Salve Virgo Virginum (Conductus, ca. 1200): Het Latijnse gezang Salve Virgo Virginum (“Wees gegroet, maagd der maagden”) is een Mariaconductus uit de late 12e of vroege 13e eeuw, vermoedelijk afkomstig uit de Notre-Dame-school van Parijs. Het behoort tot de vroegste voorbeelden van meer­stemmige religieuze poëzie die niet direct uit de gregoriaanse traditie voortkomt, maar nieuw gecomponeerde tekst en melodie verenigt.

4. Anoniem – Flos ut rosa (Conductus, ca. 1200): Het Latijnse gezang Flos ut rosa (“Bloem als een roos”) is een middeleeuwse conductus uit het einde van de 12e of het begin van de 13e eeuw, afkomstig uit de Notre-Dame-school van Parijs. Het behoort tot de vroege polyfone kunst van die tijd en combineert ritmische helderheid, poëtische symboliek en spirituele devotie in een vorm die zowel liturgisch als artistiek vernieuwend was.

5. Anoniem – Ave Maria (Conductus a 3 voci, ca. 1200, Notre-Dame van Parijs): Het driestemmige Ave Maria uit de Notre-Dame-school van Parijs is een van de meest verfijnde voorbeelden van de vroege polyfone conductus, een genre dat rond 1180–1230 tot bloei kwam in de kathedraalcultuur van Parijs. Deze compositie behoort tot de kring rond Léonin en Pérotin, die in de kathedraal van Notre-Dame het fundament legden voor de westerse meerstemmigheid.

8. Hermann von Reichenau - Salve Regina (~1040): Hermann von Reichenau zou het 'Salve Regina' hebben gecomponeerd naar aanleiding van een pausbezoek aan het eiland Reichenau. [bron: heiligen-3s.nl]

11. Pierre Abélard - O quanta qualia (~1130): Pierre (of Petrus) Abélard (1079–1142) is vooral bekend als filosoof en theoloog, maar in zijn kloosterlijke jaren componeerde en redigeerde hij ook liturgische hymnen voor het klooster van het Paraclet; O quanta, qualia wordt traditioneel als een van die hymnen gerekend — een lofzang over het eeuwig leven (een “Hymnus de vita aeterna”). Deze hymne dateert uit Abélards latere, monastieke periode en past in zijn didactische en devotionele productie. De inhoud van de tekst beschrijft het hemelse sabbat-beeld: de volmaakte rust, de onverdiende beloning voor de moedigen, de eeuwige vreugde waarin “Deus in omnibus” (God in alles) zal wezen. De hymne is sober van toon maar theologisch geconcentreerd: ze benadrukt zowel rust (repositio) als beloning (merces) en eindigt liturgisch-doctrinaal met een trinitarische afsluiting. Die korte, heldere synthetiek maakt het stuk geschikt als didactische hymne: eenvoudig te onthouden, theologisch compact en emotioneel aansprekend.

12. Hildegard von Bingen - Ordo Virtutum (~1160): Hildegard von Bingen (1098–1179) was een benedictijnse abdis, mystica, theoloog, wetenschapper en componiste. Ze leidde het klooster Rupertsberg bij Bingen am Rhein, waar ze ook haar visioenen optekende in werken zoals Scivias (“Ken de wegen”). Binnen dat visioenboek staat Ordo Virtutum — De Orde van de Deugden — als afsluitend muzikaal-dramatisch visioen dat de strijd van de menselijke ziel voorstelt, een visueel-muzikaal visioen van het geestelijke leven, geopenbaard aan Hildegard zelf. Het werk omvat 82 korte gezangen (antifonen, responsoria, melodische verzen) die samen een allegorisch drama vormen. De hoofdrollen zijn:

De Anima – de menselijke ziel, die worstelt tussen goed en kwaad;

De Virtutes – de Deugden (zoals Caritas, Humilitas, Spes, Castitas, Misericordia), die zingen om haar tot God terug te leiden;

De Diabolus – de duivel, die probeert de ziel te verleiden en te doen vallen;

De Patriarchae et Prophetae – de voorvaderen en profeten, die het heil aanschouwen.

De Ordo Virtutum verbeeldt de spirituele weg van de ziel: van haar roeping, via de bekoring en val, tot boetedoening en uiteindelijke verlossing door de Deugden. De centrale boodschap is het proces van innerlijke strijd dat elke mens moet aangaan — maar met nadruk op de actieve kracht van de Deugden, die elk een eigen stem en karakter hebben. Muzikaal gezien bestaat het werk volledig uit monodische zang (éénstemmig, zonder instrumentale begeleiding), in de gregoriaanse traditie, maar met Hildegards kenmerkende stijl: grote melodische sprongen, waardoor de extatische, visionaire toon ontstaat; uitgebreide melismen (lange versierde reeksen op één lettergreep); modaliteit die soms afwijkt van de strikte kerkmodi, wat haar eigen, bijna mystieke kleur verleent. Uniek is dat de Duivel de enige rol is die niet zingt — hij spreekt of schreeuwt zijn tekst. Daarmee toont Hildegard symbolisch dat het kwaad geen deel heeft aan de hemelse harmonie; het kan niet zingen, omdat zingen een vorm van orde en goddelijke resonantie is.

1. Léonin (Pérotin) - Magnus Liber, Alleluya (~1180): Rond 1180 stond Parijs in het centrum van de muzikale vernieuwing binnen de westerse kerk. Aan de kathedraal Notre-Dame ontwikkelde zich wat men later de Notre-Dame-school van de polyfonie zou noemen. De twee bekendste namen die uit deze traditie voortkwamen zijn Léonin (Leoninus) en Pérotin (Perotinus). Volgens de Anonymous IV (een 13e-eeuwse Engelse theoreticus die over hen schreef) was Léonin “optimus organista”, de beste componist van organa (meer-stemmige stukken) van zijn tijd, en Pérotin “optimus discantor”, de beste componist van discant (meer beweeglijke polyfonie).

Léonin componeerde en systematiseerde het grote verzamelwerk dat bekendstaat als de Magnus Liber Organi (“Het grote boek van het orgelgezang”) — een verzameling polyfone bewerkingen van gregoriaanse gezangen voor de liturgie van het kerkjaar. Pérotin zou later enkele van Léonins werken herzien en uitgebreidere versies maken (met drie of vier stemmen in plaats van twee). Het stuk Alleluya behoort tot dit corpus — een organa-zetting van het Alleluia-zang uit de mis, een hoogtepunt van de liturgie, vooral op feestdagen. De Magnus Liber Organi markeert een overgang van eenstemmige gregoriaanse zang naar de vroege polyfonie. In Léonins tijd werd de gregoriaanse melodie (de cantus firmus) behouden in de laagste stem, de tenor (van tenere, “vasthouden”), terwijl daarboven een versierde tweede stem (duplum) vrij beweegt. Zo ontstaat de typische Notre-Dame-klank: een langzaam bewegende baslijn met daarboven een vloeiende, ornamentale melodie. Dit gaf de muziek een verheven, architecturaal karakter — vergelijkbaar met de verticale structuur van de gotische kathedraal waarin ze weerklonk.

2. Perotinus - Viderunt omnes (~1220): Pérotin (Perotinus) was actief rond 1200–1230 en wordt gezien als de belangrijkste vertegenwoordiger van de latere fase van de Notre-Dame-school in Parijs. Hij werkte binnen de traditie van Léonin, die rond 1160–1180 het Magnus Liber Organi had gecompileerd. Pérotin herschreef en breidde dit corpus uit, introduceerde drie- en vierstemmige polyfonie en verfijnde de ritmische organisatie van organum. Viderunt omnes is een graduale voor Kerstmis, gebaseerd op Psalm 98/97: (“Alle uiteinden der aarde hebben het heil van onze God gezien”). Het is een voorbeeld van organum quadruplum, met vier stemmen, en illustreert de piek van vroeg-middeleeuwse polyfonie. Het stuk was bedoeld voor hoogmis tijdens Kerstmis in de kathedraal van Notre-Dame.

3. Perotinus - Sederunt Principes: Wellicht het meest karakteristiek is Sederunt Principes in D dorisch. D dorisch is de gotische oertoonladder, de eerste modus, en is het meest equivalent met de sfeer van de gotische kathedralen die in die tijd ontstonden. [bron: Marc van Delft]

4. Anoniem - En mai quant rosier sont flouri (~1260): Dit muziekstuk in de ars antiqua stijl is opgenomen in de Montpellier Codex. De Montpellier Codex is een belangrijke bron van de 13e eeuwse Franse polyfonie. De Codex bevat 336 polyfone werken waarschijnlijk gecomponeerd in de periode 1250-1300 en is waarschijnlijk samengesteld omstreeks 1300. Het is vermoedelijk afkomstig uit Parijs. Het werd ontdekt in 1852. [bron Wikipedia]

5. Anoniem - Hoquetus I - VII van de Bamberg Codex (~1280):

1. Neuma (2 cornetto's, schalmei)
2. Virgo (2 cornetto's, schalmei)
3. In seculum longum (2 vedels, rebec, harp)
4. In seculum viellatoris (2 vedels, rebec, harp)
5. In seculum breve (orgel, blokfluit, rebec)
6. In seculum d'Amiens longum (harp, mandora, vedel)
7. In seculum (harp, mandora, vedel)

De Bamberg Codex is een manuscript met twee verhandelingen over muziektheorie en een groot aantal composities van de 13e eeuwse Franse polyfonie. Het eerste deel van Bamberg Codex bevat 100 dubbele motetten (driestemmige stukken met twee contrapuntische lijnen boven de cantus firmus). De muzieknotatie is vergelijkbaar met die in de Montpellier Codex. Deze motetten werden waarschijnlijk gecomponeerd tussen 1260 en 1290, worden qua stijl geassocieerd met Franco van Keulen.

In de middeleeuwse praktijk van de Hoquetus (hoketus) beweegt de melodie (soms snel) heen en weer tussen twee of meer stemmen, op zo'n manier dat de ene stem stil is waar de andere beweegt, en vice versa. In de Europese muziek komt de hoketus voornamelijk voor in vocale werken uit de 13e eeuw en de vroege 14e eeuw. Het was een karakteristiek van de Notre Dame School gedurende de ars antiqua, waarin voornamelijk geestelijke muziek voorkwam. In de 14e eeuw werd de techniek echter meer toegepast in de wereldlijke, seculiere vocale muziek. [bron: Wikipedia]

6. Petrus de Cruce - Aucun ont trouvé chant par usage - Lonc tans me sui tenu de chanter - Annuntiantes (~1290): Het motet “Aucun ont trouvé chant par usage / Lonc tans me sui tenu de chanter / Annuntiantes” van Petrus de Cruce (circa 1290) is een representatief voorbeeld van de late middeleeuwse polyfone muziek. Petrus de Cruce was een Franse componist uit de late dertiende eeuw, actief aan het hof van de Franse koning. Hij wordt vaak geassocieerd met de ontwikkeling van de mensurale notatie, een systeem dat de ritmische waarden van noten specificeerde en zo de uitvoering van polyfone muziek vergemakkelijkte. Zijn werk markeert een overgang van de complexe, onregelmatige ritmes van de vroege polyfonie naar een meer gestructureerde en meetbare ritmiek. De tekst in het triplum is een motet tekst die verwijst naar de Annunciatie van de Maagd Maria, een belangrijk thema in de middeleeuwse religieuze muziek.

7. Anoniem - Castitatis thalamum uit de Huelgas Codex (~1290): De Huelgas Codex of Codex Las Huelgas is een muziekhandschrift uit ongeveer 1300, dat afkomstig is van en bewaard gebleven is in het klooster der cisterciënzers in Santa María La Real de Las Huelgas in Burgos, in noordwest Spanje, het toenmalige Castilië. Het handschrift werd herontdekt in 1904 door twee Benedictijnse monniken. Het manuscript is geschreven op perkament, en de notenbalken zijn met rode inkt in Franse muzieknotatie weergegeven. Het merendeel van het materiaal in de codex is in één schrijfhand, hoewel er minstens 12 mensen aan hebben bijgedragen, inclusief correcties en latere toevoegingen. Het manuscript bevat: 45 monodische (eenstemmige) stukken (20 sequenzen, 5 conductus, 10 Benedicamus Tropen) en 141 polyfone (meerstemmige) composities, waarvan 1 zonder muziek. De meeste stukken dateren uit de late 13e eeuw, sommige stukken uit de vroege 13e eeuw (de ars antiqua en Notre Dame school), en enige latere toevoegingen uit de eerste decennia van de 14e eeuw. Johannes Roderici (Johan Rodrigues) schreef zijn naam bij een aantal stukken. Het is mogelijk dat hij een aantal stukken zelf componeerde, maar ook was hij de scribent, samensteller en corrigeerder, volgens zijn eigen bijschriften.

De codex was bedoeld om bij uitvoeringen te worden gebruikt als 'bladmuziek', wat interessant is, omdat het in een vrouwenklooster werd gebruikt, hetgeen de vraag oproept over de uitvoeringspraktijk van de stukken, met name van de meerstemmige werken. Het klooster had een koor van 100 vrouwen op een gegeven moment in de 13e eeuw, en er wordt verondersteld dat dit vrouwenkoor de polyfone werken zong, hoewel de cisterciënzers regels hadden die een verbod inhielden van het uitvoeren van meerstemmige muziek. Het manuscript bevat ook tweestemmige solfège-oefeningen met notaties over hun gebruik in het klooster. [bron: Wikipedia]

8. Philippe de Vitry - Garrit gallus (~1340): Philippe de Vitry (1291–1361) was een Frans componist, dichter en musicoloog, bekend als een van de centrale figuren van de Ars Nova, de stijl die zich in het begin van de 14e eeuw in Frankrijk ontwikkelde. Hij introduceerde innovatieve ritmische structuren en mathematische precisie in de muziek, zoals beschreven in zijn theoretische verhandeling Ars nova notandi (ca. 1322). Garrit gallus dateert ongeveer uit 1340 en illustreert de toepassing van deze nieuwe ritmische vrijheid in een motet. Het werk toont typische kenmerken van de Ars Nova: complexe ritmes, syncopatie, en het gebruik van meerdere stemmen met onafhankelijke melodische lijnen. De tekst van Garrit gallus verwijst naar een gal-achtig geschreeuw van een haan (“garrit gallus”), mogelijk symbolisch gebruikt om een liturgisch of allegorisch thema te benadrukken, zoals het ontwaken of het opstaan voor gebed, een beeld dat vaak voorkomt in middeleeuwse religieuze poëzie en motetten.

9. Giovanni da Firenze - Quand’Amor (~1320): Dit lied in de ars nova stijl is opgenomen in de Nuova Cronica van Giovanni Villani (1276 – 1348). Over de componist Giovanni da Firenze (ook Giovanni da Cascia), die in de veertiende eeuw leefde, is vrijwel niets bekend. Wel zijn enkele tientallen composities van hem bewaard gebleven.

10. Guillaume de Machaut - 'Ite missa est' uit 'Messe de Nostre Dame' (~1350): Guillaume de Machaut (ca. 1300–1377) was dichter, componist en priester — de belangrijkste muzikale figuur van de 14e eeuw en een sleutelfiguur van de Ars Nova. Zijn Messe de Nostre Dame (mis van Onze Lieve Vrouw) werd vermoedelijk gecomponeerd rond 1350–1360 voor de kathedraal van Reims, waar Machaut kanunnik was. Het is de oudste volledig overgeleverde polyfone mis die door één componist als samenhangend geheel werd geschreven — niet slechts losse delen, maar een volledige ordinarium-cyclus (Kyrie, Gloria, Credo, Sanctus, Agnus Dei, Ite missa est). Daarmee is het een van de eerste voorbeelden van een cyclus-mis in de westerse muziek.

11. Francesco Landini - Non avra ma' pieta questa mia Donna (~1370): Francesco Landini (ca. 1325–1397) was de belangrijkste componist van het Italiaanse Trecento, de periode die in Italië overeenkomt met de Franse Ars Nova. Hij leefde en werkte in Florence, in de bloeitijd van de vroege renaissance van de kunst en poëzie, waarin muziek, literatuur en beeldende kunst nauw verbonden waren met de stedelijke cultuur van de Italiaanse stadstaten. Landini was blind van jongs af aan, maar verwierf roem als organist, dichter en componist. Zijn stijl combineert de technische verfijning van de polyfonie met de lyrische gevoeligheid van de Italiaanse poëzie. Non avrà ma’ pietà questa mia donna is een ballata, het meest typische seculiere genre van de Italiaanse Trecento. De ballata heeft een dansvormige structuur, vergelijkbaar met de Franse virelai. De tekst is meestal liefdeslyriek, beïnvloed door de dolce stil novo-traditie (zoals Dante en Petrarca), waarin de dichter zijn onbereikbare geliefde bezingt. De titel betekent: “Mijn vrouw zal nooit medelijden hebben” — een klaagzang over onbeantwoorde liefde. De poëtische “ik” drukt verfijnde, hoffelijke pijn uit in een toon van zachte melancholie en idealisering van de geliefde.

12. Jacob Senleches - Virelai "La harpe de melodie" (~1380): Jacob Senleches (ook: Jacques de Senleches) was een Frans-Vlaamse componist actief rond 1380–1395, werkzaam aan de hoven van Aragón en Avignon. Hij behoort tot de generatie componisten van de Ars Subtilior, een stijl die ontstond aan het einde van de 14e eeuw in Zuid-Frankrijk en Noord-Italië. Deze stijl was het hoogtepunt van de complexiteit en verfijning van de middeleeuwse polyfonie: ritmisch en notatief uiterst ingewikkeld, maar ook rijk aan symboliek en visuele kunstzinnigheid. La harpe de mélodie is een virelai, een seculier liedgenre verwant aan de Franse ballade en de Italiaanse ballata. Het meest opvallende aan La harpe de mélodie is dat het handschrift zelf is geïllustreerd in de vorm van een harp. Het bevindt zich in het beroemde Codex Chantilly (ca. 1390), een manuscript dat vele werken van de Ars Subtilior bevat. De notenbalken zijn getekend als harp-snarige lijnen, met de muziek letterlijk “gespeeld” op het beeld van het instrument. Dit is een voorbeeld van musica figurata: muziek waarin de visuele vorm deel uitmaakt van de betekenis. De harp wordt zo symbool van harmonie, inspiratie en poëtische orde, passend bij het verfijnde intellectuele milieu van Avignon, waar muziek, poëzie en beeldende kunst samensmolten.

Performance of a newly-discovered 10th century organum