menu

Franse en Italiaanse muziek in de 14de eeuw 

5. Musica ficta  


terug naar: Franse en Italiaanse muziek in de 14de eeuw

Musica ficta

Veel Franse en Italiaanse muziek uit de veertiende eeuw krijgt haar karakteristieke klank door het verhogen of verlagen van tonen tijdens de uitvoering of impliciet in de notatie. Zowel componisten, zangers als theoretici gaven de voorkeur aan een kleine terts bij cadensen die in een unisono eindigden, en aan het verhogen van de kleine sext tot een grote sext bij cadensen die in het octaaf uitmondden. Vaak werden zelfs de twee bovenste tonen van de voorlaatste drieklank verhoogd, wat leidde tot de beroemde dubbele leidtoon.

Daarnaast gebruikte men alteraties om een overmatige kwart ten opzichte van de laagste stem te vermijden, om de tritonus F–B te ontlopen, of simpelweg om een melodielijn vloeiender te maken. Soms werden tonen aangepast puur causa pulchritudinis – “omwille van de schoonheid”.

Het ontbreken van voortekens in de bronnotatie was geen slordigheid, maar sluit aan bij de toenmalige muziektheorie. Binnen het systeem van de drie hexachorden – durum, molle en naturale – waren slechts bepaalde halve tonen toegestaan (tussen B–C, E–F en A–Bes). Deze tonen vielen binnen de musica vera of musica recta, het “juiste” toonmateriaal, zoals weergegeven in de Guidonische hand. Tonen daarbuiten golden als falsa of ficta.

Componisten en kopiisten noteerden zulke “foute” tonen liever niet, terwijl zangers juist werden getraind om te herkennen wanneer een alteratie nodig was voor een betere melodische of harmonische samenhang. Gaandeweg werd het voor een zanger zelfs bijna beledigend als een componist een kruis of mol expliciet toevoegde dat een geoefend musicus zelf moeiteloos had kunnen afleiden. De criteria voor dergelijke ingrepen ontwikkelden zich tot een soort beroepsgeheim onder musici.

naar boven