Franse en Italiaanse muziek in de veertiende eeuw
7. Instrumenten
terug naar: Franse en Italiaanse muziek in de 14de eeuw

Instrumenten in de veertiende eeuw
In veertiende-eeuwse manuscripten werd vrijwel nooit aangegeven of een partij vocaal of instrumentaal moest worden uitgevoerd, laat staan welk instrument bedoeld was. Componisten vertrouwden op bestaande uitvoeringspraktijken en zagen geen noodzaak om dit aan te geven.
Uit afbeeldingen en geschreven bronnen blijkt dat polyfone muziek in de veertiende en vroege vijftiende eeuw meestal werd uitgevoerd door kleine vocale of instrumentale ensembles, doorgaans met één zanger of speler per partij. Bij composities in cantenilastijl werd de vocale solopartij soms door een instrument verdubbeld en versierd, waardoor heterofonie ontstond. Sommige partijen waren vrijwel zeker primair instrumentaal bedoeld, zoals de Latijnse tenor in isoritmische motetten en de tekstloze tenoren in Landini’s driestemmige ballate. De uiteindelijke uitvoeringswijze hing waarschijnlijk sterk af van de beschikbare stemmen en instrumenten.
Voor openluchtuitvoeringen, dansen en feestelijke of ceremoniële gelegenheden gebruikte men grotere ensembles en luidere instrumenten. Het middeleeuwse onderscheid tussen haut en bas had betrekking op luidheid, niet op toonhoogte. Tot de ‘zachte’ instrumenten behoorden harp, vielle, luit, psalterium, portatief, dwarsfluit en blokfluit. De ‘harde’ instrumenten omvatten onder meer schalmeien, zinken, trompetten en trombones; ook percussie-instrumenten zoals pauken, bellen en bekkens werden veel gebruikt.
Afbeeldingen uit die tijd suggereren dat instrumenten niet in homogene groepen werden samengebracht, maar op basis van contrasterende timbres. Dit leidde tot combinaties als viola, luit, harp en schuiftrombone, of viola, luit, psalterium, blokfluit en trommel.
De oudste toetsinstrumenten van het type clavichord en klavecimbel ontstonden in de veertiende eeuw, al werden ze pas in de vijftiende eeuw echt populair. De meest gebruikte toetsinstrumenten waren orgels: naast het draagbare portatief of organetto was ook het grotere positief wijdverbreid, en steeds meer kerken lieten omvangrijke pijporgels bouwen.
naar boven
