menu

Vanaf de Oudheid tot de middeleeuwen 

3. Het Griekse muzieksysteem  


terug naar: Muziek vanaf de Oudheid tot aan de middeleeuwen

Het Griekse muzieksysteem

De Griekse muziektheorie is voor het eerst gedetailleerd beschreven door Aristoxenos (ca. 330 v.Chr.) en zo’n 400 jaar later samengevat door Cleonides. Aristoxenos baseerde zijn muziektheorie op het gehoor, niet op wiskundige berekeningen, zoals bij Pythagoras. In zijn systeem werden de intervallen binnen een kwart, het zogenaamde tetrachord, op verschillende manieren verdeeld, afhankelijk van het diatonische, chromatische of enharmonische geslacht. Bij het diatonische geslacht werden de (dalende) tonen zo verdeeld dat er twee grotere en één kleinere toon in de kwart aanwezig waren, wat overeenkomt met onze noties van hele en halve tonen. Het chromatische geslacht verdeelde de kwart (dalend) in een grotere toon en twee kleinere tonen, waardoor het een meer expressief karakter kreeg. Het enharmonische geslacht maakte gebruik van een nog grotere toon (dalend) gevolgd door twee zeer kleine intervallen, wat resulteerde in microtonale verschillen die vooral voor expressieve melodieën werden gebruikt.

Er wordt beschreven hoe toonladders uit tetracorden naar boven en onder kunnen worden opgebouwd vanuit de centrale toon, de mese. Voorts dat er zeven modi bestaan (dorisch, frigisch, lydisch, enzovoort), waarop de middeleeuwse kerktoonladders (voor een klein deel foutief) zijn gebaseerd.

De Griekse harmonieleer omvat nog veel meer dan hier kan worden beschreven. Zie voor meer info op Wikipedia: Musical system of ancient Greece.

naar boven

Muziek uit het oude Rome

Het is onduidelijk of de Romeinen zelf belangrijke bijdragen hebben geleverd aan muzikale theorie of praktijk. Hun kunstmuziek was grotendeels ontleend aan Griekenland, vooral nadat Griekenland in 146 v.Chr. een Romeinse provincie werd, mogelijk ter vervanging van een inheemse Etruskische of Italiaanse muziek die onbekend is gebleven. Muziek was aanwezig bij vrijwel alle openbare gebeurtenissen, maar ook bij privé-amusement en in het onderwijs. Tijdens de bloeitijd van het Romeinse Rijk, in de eerste twee eeuwen van de christelijke jaartelling, werden kunst, architectuur, filosofie, religieuze rituelen en andere cultuuruitingen uit de hellenistische wereld overgenomen. In de derde en vierde eeuw, toen het Rijk economisch achteruitging, nam de grootschalige productie van muziek af.

naar boven