Franse en Italiaanse muziek in de 14e eeuw
3. Italiaanse muziek uit het Trecento

Italiaanse muziek uit het Trecento
De Italiaanse muziek van de veertiende eeuw (het Trecento) ontwikkelde zich anders dan de Franse muziek uit dezelfde periode, vooral door de politieke en sociale omstandigheden. Terwijl het Franse koninkrijk steeds centraler en stabieler werd, bestond Italië uit een lappendeken van stadstaten die door voortdurende machtsconflicten werden geteisterd. De meerstemmige muziek die onder de elite populair was, gold als een verfijnd wereldlijk tijdverdrijf, gecomponeerd door geestelijken die vertrouwd waren met notenschrift en contrapunt.
Het grootste deel van de overige Italiaanse muziek was niet genoteerd. In de dertiende eeuw traden aan de hoven de trovatori op, in het voetspoor van de Provençaalse troubadours. Zoals overal in Europa bestond er een rijke traditie van gezongen volksmuziek, vaak geassocieerd met instrumentale begeleiding en dans, maar daarvan is niets schriftelijk overgeleverd. Alleen de eenstemmige lauda’s, processieliederen uit handschriften, zijn bewaard gebleven. Daarnaast kende de Italiaanse kerkmuziek van de veertiende eeuw polyfonie die grotendeels improvisatorisch van aard was.
De belangrijkste centra van het muzikale leven lagen in Midden- en Noord-Italië: Bologna, Padua, Modena, Milaan, Perugia en vooral Florence, dat in de veertiende tot en met de zestiende eeuw een leidend cultureel centrum was.
De Squarcialupi Codex vormt de meest omvangrijke bron voor het Trecento. Het handschrift bevat 352 twee- en driestemmige composities van twaalf componisten uit de veertiende en vroege vijftiende eeuw. Aan het begin van elke sectie staat een miniatuur met de beeltenis van de betreffende componist.
naar boven
Het madrigaal
In de Squarcialupi Codex en in oudere bronnen zoals de Rossi Codex (ca. 1350) komen drie vormen van Italiaanse wereldlijke muziek voor: madrigaal, caccia en ballata. Madrigalen waren doorgaans tweestemmig. In de meeste madrigalen zingen beide stemmen dezelfde tekst: gedichten van twee of drie strofen met telkens drie regels, vaak idyllisch, pastoraal, amoureus of satirisch van karakter. Alle strofen hebben dezelfde muziek, maar het afsluitende tweeregelige ritornello heeft een afwijkend metrum en een nieuwe melodie. Door de decoratieve melismen aan het einde – en soms ook aan het begin – van regels, vooral in de bovenstem, vertoont het Italiaanse madrigaal overeenkomsten met de conductus uit de voorafgaande periode. Belangrijke vroege componisten zijn Jacopo da Bologna en Giovanni da Firenze.
naar boven
De caccia
De caccia is een liedvorm waarin een levendige, vaak verhalende of beeldende tekst wordt gekoppeld aan een gemakkelijk herkenbare melodie die in strikte canon wordt uitgevoerd. De Italiaanse caccia is een canon in de priem voor twee gelijkwaardige stemmen. Anders dan in de Franse en Spaanse voorbeelden heeft de Italiaanse caccia bovendien een vrije, doorgaans instrumentale tenorpartij met lang aangehouden tonen, die de bovenstemmen ondersteunt. De poëzie van de caccia kent geen vaste regels, al eindigen veel stukken – net als madrigalen – met een ritornello.
naar boven
De ballata
De polyfone ballata, de derde belangrijke vorm van Italiaanse wereldlijke muziek uit de veertiende eeuw, kwam later tot ontwikkeling dan het madrigaal en de caccia en vertoont duidelijke invloeden van de Franse balladestijl. Oorspronkelijk was de ballata een danslied; de dertiende-eeuwse ballate (waarvan geen melodieën bewaard zijn gebleven) waren dan ook monofone dansliederen met refrein dat door een koor werd gezongen. In Boccaccio’s Decamerone blijft de ballata verbonden met dans, maar dezelfde vorm wordt daar ook gebruikt voor de spirituele lauda.
Uit het begin van de veertiende eeuw zijn nog enkele monofone ballate overgeleverd. Het overgrote deel van de muziek in de handschriften is echter twee- of driestemmig en dateert van na ca. 1365. Deze lyrische en gestileerde polyfone ballata vertoont sterke overeenkomsten met het Franse virelai.
naar boven
Francesco Landini
De meest vooraanstaande componist van ballate – en de belangrijkste Italiaanse musicus van de veertiende eeuw – was Francesco Landini (ca. 1325–1397). Door een infectieziekte in zijn jeugd werd hij blind, maar dat weerhield hem er niet van een ontwikkeld intellectueel, gewaardeerd dichter en vooraanstaande musicus te worden. Hij beheerste tal van instrumenten en genoot grote reputatie als virtuoos.
Landini componeerde geen muziek op religieuze teksten. Zijn oeuvre bestaat uit 90 tweestemmige en 42 driestemmige ballate, plus enkele stukken die in beide versies zijn overgeleverd. Daarnaast zijn tien madrigalen en één caccia bewaard gebleven. De tweestemmige ballate behoren tot zijn vroegste werk en vertonen nog duidelijk verwantschap met het madrigaal, al zijn de melodieën vaak rijker geornamenteerd. Veel driestemmige ballate hebben, net als de Franse ballade, een uitgesproken solostem met twee meer begeleidende partijen.
Naast de gracieuze melodieën is vooral de zachte, welluidende harmoniek kenmerkend voor Landini’s stijl. Zijn muziek vermijdt de parallelle secunden en septiemen die in de dertiende eeuw veel voorkwamen en bevat slechts spaarzaam parallelle kwinten en octaven. Daarentegen gebruikt hij frequent combinaties van terts–kwint en terts–sext, echter nooit aan het begin of einde van een sectie.
naar boven
Uitvoeringspraktijk
Voor muziekuitvoering in de veertiende eeuw bestonden geen vaste regels. Vermoedelijk werd de tenor in de ballate van Landini en in de ballades van Machaut vooral instrumentaal uitgevoerd: de lange notenwaarden, grote sprongen en vele ligaturen in het handschrift wijzen daarop. De contratenor is duidelijk later toegevoegd dan de tenor en de superius, met als doel een vollere klank te creëren, en werd waarschijnlijk eveneens vaak instrumentaal gespeeld. De superius, altijd vocaal van karakter en vaak melismatisch, kon echter ook door instrumenten worden uitgevoerd. Bovendien zijn er aanwijzingen dat volledig vocale werken soms geheel instrumentaal werden gespeeld, waarbij de melodie extra werd geornamenteerd.
Deze instrumentale versieringen berustten meestal op improvisatie, maar soms werden ze genoteerd. Zo bevat de Robertsbridge Codex (ca. 1325) orgelarrangementen van drie motetten, en de Faenza Codex (begin 15e eeuw) talrijke arrangementen voor toetsinstrumenten: enkele gebaseerd op gregoriaanse gezangen, andere op geornamenteerde versies van Machauts ballades en Italiaanse madrigalen en ballate, waaronder werken van Landini.
Tegen het einde van de veertiende eeuw verloor de Italiaanse muziek geleidelijk haar eigen nationale karakter en nam zij steeds meer Franse stijlkenmerken over. Deze ontwikkeling werd versterkt na 1377, toen het pauselijke hof van Avignon naar Rome terugkeerde. Italiaanse componisten schreven nu Franse teksten en gebruikten Franse vormen, en hun muziek verschijnt in late veertiende-eeuwse manuscripten vaak in Franse notatie.
Rond 1390 vestigde de uit Luik afkomstige componist Johannes Ciconia (ca. 1340–1411) zich in Padua. Daar en in het nabijgelegen Venetië ontwikkelde hij een succesvolle carrière. Hij werd de eerste in een lange reeks Vlaamse, Nederlandse, Franse, Engelse en later Spaanse musici die in de vijftiende eeuw hun werkterrein naar Italië verlegden.
naar boven
Originele muziekvoorbeelden op YouTube
Achtergrondinformatie bij onderstaande muziekvoorbeelden
- x
naar boven
