Begrippen (alfabetisch)
Aleatorische muziek is muziek waarbij bewust gebruik wordt gemaakt van toeval en onberekenbare factoren. De aleatoriek, of toevalsmuziek, ontwikkelde zich vanuit de Verenigde Staten als reactie op het rekenkundige en precieze van de seriële muziek (het serialisme). De aleatorische muziek ontstond in de jaren 50 van de twintigste eeuw vanuit het avant-gardisme. De aleatorische muziek werd binnen de muziek uit de 20e eeuw aan het einde van de jaren 50 belangrijk en staat in verband met de Fluxus-beweging. De term aleatorisch werd door Karlheinz Stockhausen en Pierre Boulez voor de Darmstädter Ferienkurse gebruikt. (meer op Wikipedia)
Alternatim-uitvoeringen zijn een middeleeuwse en renaissancepraktijk waarbij een liturgisch gezang of hymne afwisselend door twee groepen of instrumenten wordt uitgevoerd. Meestal gaat het om koor versus orgel, solist versus koor of links versus rechts in de kerk, waarbij telkens een deel van de tekst of melodie door de ene groep wordt gezongen en het volgende deel door de andere groep. Deze techniek werd vooral toegepast bij psalmverzen, hymnen en het kyrie van de mis. Het doel was variatie, dynamiek en benadrukking van tekst of cadens. In een gregoriaanse context kon bijvoorbeeld de chant in het gregoriaans door het koor worden gezongen, terwijl de clausulae of organum-segmenten door het orgel of een andere zanggroep werden uitgevoerd. Alternatim-uitvoeringen laten zien hoe polyfonie en liturgische structuur elkaar aanvulden en boden een middel om lange gezangen afwisselend en expressief te presenteren binnen de kerkelijke dienst.
Anthems zijn composities in de Engelse kerkmuziek voor koren, met of zonder solopartijen, die worden gezongen in de ochtend- en avonddiensten van de Anglicaanse Kerk, de zogeheten Morning Prayers en Evensong. De term anthem is afgeleid van het Griekseantifona (antifoon). De Morning Prayers zijn vergelijkbaar met de lauden, de Evensong heeft veel overeenkomsten met vespers. Anthems werden en worden gecomponeerd door vele Engelse componisten. (meer op Wikipedia)
'Wisselzang' of 'beurtzang', een manier van zingen waarbij twee koren of een voorzanger en een koor elkaar afwisselen.
Een antifoon of beurtzang is een vers dat gezongen wordt als inleiding op en ter afsluiting van een psalm tijdens de mis en het getijdengebed.
Een aria is oorspronkelijk een gezongen expressieve melodie die gewoonlijk door één zanger wordt uitgevoerd en dateert uit de 14e eeuw. De ontwikkeling van de aria als stijl van zingen is nauw verwant aan die van de monodie en het madrigaal in Florence met als belangrijk hoogtepunt de muziek van Monteverdi. In de loop van de 17e tot en met de 19e eeuw werd de aria het voornaamste expressiemiddel van operazangers. (meer op Wikipedia)
Ars Nova is een muzikale stijl uit de 14e eeuw die bekendstaat om zijn verfijnde ritmische notatie en grotere vrijheid in meerstemmige composities. In tegenstelling tot de eerdere Ars Antiqua konden componisten nu noten nauwkeurig subdivideren, zowel in dubbele als drievoudige maat, wat leidde tot complexere ritmische patronen, syncopen en onafhankelijke stemmen. Deze ontwikkeling legde de basis voor de moderne mensurale notatie.
De ballata is net als het madrigaal en de caccia een Italiaanse liedvorm uit de Trecento-periode (14e eeuw in Italië). De ballata is te vergelijken met de Franse virelai en is meestal driestemmig, waarbij de stemmen in de regel niet homofoon zijn. Formeel gezien heeft de ballata de structuur Abb'A'A, waarbij A en b verschillen in melodie en b' een rijmende tekst op b is. (meer op Wikipedia)
Basso continuo is een manier van het begeleiden die vooral in de barokmuziek veel gebruikt werd. De naam wordt soms ook gebruikt voor de instrumenten die de begeleiding spelen. De basso continuo is het geïmproviseerde versierende en aanvullende spel inclusief basis van de harmonie en altijd uitgeschreven baslijn. De harmonieën zijn weergegeven door middel van een cijfersysteem onder de basnoten, de zogenoemde becijferde bas, vaak uitgevoerd door de cello of viola da gamba. Daarnaast is er sprake van een versierend en improviserend akkoordinstrument, zoals klavecimbel, orgel (in de kerk) of luit (bij kleine bezettingen). De basso continuo is ontstaan als een verkorte notatie van de harmonie als hulpmiddel voor de leidende (dirigerende) orgelspeler. Deze kon nu in een oogopslag akkoorden ter ondersteuning geven en tegelijkertijd aandacht hebben voor andere deelnemers aan het musiceerproces. (meer op Wikipedia)
In de middeleeuwse mensurale notatie is een brevis een basis-duurwaarde die doorgaans dient als maatgevende eenheid. Zij is korter dan de longa maar langer dan de semibrevis, en fungeert als referentiepunt waartegen andere notenwaarden worden bepaald.
De caccia (=Italiaans voor 'jacht') is net als de ballata en het madriaal een Italiaanse liedvorm uit de Trecento-periode (14e eeuw in Italië). De caccia is daarmee vergelijkbaar met de Franse chasse. Een caccia heeft in de regel twee levendige bovenstemmen (meest een canon in unisono), waarin de tekst voorgedragen wordt, en een rustiger instrumentale onderstem, die vrij behandeld wordt. In sommige caccia's ontbreekt echter deze onderstem. De caccia is doorgaans tweedelig: na een relatief lang eerste gedeelte volgt een relatief kort ritornello. (meer op Wikipedia)
Een cantate is een muzikale compositie voor een of meer zangers, begeleid door instrumenten, meestal bestaande uit meerdere delen. De term cantate werd bedacht in de 17e eeuw om onderscheid te kunnen maken met de sonate, een speelstuk voor instrumenten. Vanaf het midden van de 17e eeuw tot laat in de 18e eeuw was de cantate voor een of twee stemmen met begeleiding van een klavecimbel en soms enkele andere instrumenten een populaire vorm van Italiaanse kamermuziek. Voorbeelden kan men vinden in de muziek van Carissimi, de Engelse vocale solo's van Purcell en de Italiaanse duetten en trio's van Händel. De cantate was het belangrijkste muziekwerk in de kerkelijke eredienst en kwam in de plaats van het evangeliemotet dat in de Lutherse traditie sinds de Reformatie ter verdieping van de Bijbellezing had gefungeerd. Het evangeliemotet werd eerst vervangen door een concerterend gedeelte met aria en koordelen, na 1700 door de cantate. De oorsprong van de cantate lag in het oude gebruik om de Bijbeltekst op melodie te reciteren. Bach heeft deze muziekvorm totaal vernieuwd en tot grote hoogte gebracht. (meer op Wikipedia)
Cantica zijn bijbelse lofzangen die niet uit het Psalmenboek komen, maar wel in de liturgie worden gezongen of gereciteerd. Ze worden gebruikt in bijvoorbeeld het Getijdengebed (Liturgia Horarum), zoals: Benedictus (Lofzang van Zacharias – Lauden); Magnificat (Lofzang van Maria – Vespers); Nunc dimittis (Lofzang van Simeon – Completen).
De cantilena-stijl is een middeleeuwse compositiewijze waarbij één duidelijk melodische bovenstem centraal staat, ondersteund door eenvoudige, vaak akkoordmatige begeleidende stemmen. In plaats van strikte contrapuntische gelijkwaardigheid ligt de nadruk op een vloeiende hoofdmelodie, terwijl de lagere stemmen vooral harmonisch en ritmisch dragen. Deze stijl komt vooral voor in de 14e en vroege 15e eeuw en vormt een overgang tussen middeleeuwse polyfonie en de meer homofone liedkunst van de renaissance.
De cantus firmus – Latijn voor ‘vast gezang’ – is een melodie, meestal ontleend aan een bestaand werk, waarop een nieuwe compositie wordt gebouwd. Hoewel de term pas rond 1270 voor het eerst wordt beschreven, bestond de praktijk al veel eerder: in de vroegste meerstemmige muziek vormden gregoriaanse melodieën vrijwel altijd de basis. Aanvankelijk lag de cantus firmus vaak in de bovenstem, maar rond 1100 verschoof zij naar een lagere stem, die voortaan tenor werd genoemd, naar het Latijnse tenere (‘vasthouden’). In deze stem werd de melodie langzaam en dragend uitgevoerd, zodat de overige stemmen zich er vrij omheen konden bewegen.
In de gregoriaanse muziek is een clausula een vaste melodische afsluitformule die een muzikaal segment, versregel, zin of geheel gezang afrondt. Ze fungeert als een soort cadens: een herkenbare wending die de melodie naar haar modale rustpunt leidt (meestal de finale van de modus). Clausulae hebben vaak een traditionele, terugkerende vorm binnen een bepaald melodisch genre of binnen één modus, waardoor ze helpen om de modale structuur duidelijk te maken en de tekst muzikaal te articuleren. Ze kunnen kort en eenvoudig zijn (bijvoorbeeld aan het einde van psalmversen) of uitgebreider en versierd (bij sommige introïtus- en communio-melodieën). Omdat clausulae formule-achtig zijn, bestaan er naast de standaardvormen ook varianten en zogeheten substituut-clausulae: alternatieve afsluitingen die dezelfde functie vervullen maar melodisch anders verlopen. In alle gevallen markeert de clausula het moment van muzikale rust en syntactische afronding binnen de gregoriaanse melodiek.
Een concerto grosso (Italiaans voor groot orkest) is een compositie voor een orkest, stammend uit de 17e en 18e eeuw (barok), waarin gewoonlijk een groep van solo-instrumenten een prominent aandeel heeft. Verder zijn met name de concerti grossi van Corelli en Händel klassieke voorbeelden van deze muziekvorm. Ook Schnittke schreef concerti grossi in de 20e eeuw. (meer op Wikipedia)
Een conductus is een middeleeuws, meestal één- tot driestemmig gezongen Latijns lied met een vrij gecomponeerde melodie, niet gebaseerd op gregoriaanse zang. Het werd vaak uitgevoerd tijdens processies of liturgische handelingen buiten de mis en kenmerkt zich door syllabische tekstzetting, ritmische regelmaat en doorgaans homofone meerstemmigheid.
Met een consort of instruments wordt een ensemble bedoeld zoals dat in het Engeland in zwang was in de 16e en 17e eeuw. Het is een ensemble van instrumenten van dezelfde familie of van verschillende instrumenten. Consortmuziek was populair in de huishoudens van welgestelde families in de Elizabethaanse tijd en werd geschreven door veel belangrijke componisten uit die tijd. In de barokmuziek werd het genre geïncorporeerd in de kamermuziek. (meer op Wikipedia)
Onder contrapunt wordt in de muziektheorie het verband tussen twee of meer (onafhankelijke) stemmen verstaan. Chronologisch in de muziekgeschiedenis werd modaal contrapunt gebruikt vóór ca. 1750, met als overgangsfiguur J.S. Bach. Vervolgens van ca. 1750 tot ca. 1900 maakt men gebruik van tonaal contrapunt. In de 20ste eeuw tot nu vindt men ook atonaal contrapunt terug evenals een mixage van alle andere vormen waarbij tonaliteit niet weg te denken is. (meer op Wikipedia)
De Darmstädter Ferienkurse (eigenlijk: Internationale Ferienkurse für Neue Musik) zijn een tweejaarlijks over meerdere weken plaatsvindend evenement in de Duitse stad Darmstadt, waarin componisten en instrumentalisten in cursussen en concerten de nieuwste stromingen van de (nieuwe) muziek onderzoeken respectievelijk ten gehore brengen. Het initiatief hiervoor ontstond een jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog met het doel de muzikale scheppingskrachten nieuw op te zetten en te beleven en was tot 1970 een jaarlijks gebeuren van rond 12 dagen. De intentie voor deze zomercursussen was ontstaan omdat Duitsland van 1933 tot 1945 van de internationale ontwikkelingen op muziekgebied was ontkoppeld. In de eerste jaren stonden werken van ondermeer Schönberg, Webern, Strawinsky en Bartók centraal die met tientallen jaren vertraging voor het eerst werden uitgevoerd. Vooral de deelname van de scheppers van de nieuwe muziek zoals Edgard Varèse, Olivier Messiaen, en John Cage waren intens vruchtbaar en voerden tot de wereldfaam van deze institutie. De cursussen werden gekarakteriseerd door componisten zoals Karlheinz Stockhausen, Pierre Boulez en Luigi Nono. (meer op Wikipedia)
In discant bewegen alle stemmen met een vergelijkbare ritmische snelheid, meestal volgens het modale ritme. Discant kan voorkomen in organum duplum, triplum en hogere meerstemmigheid. In tegenstelling tot organum purum, waar de tenor extreem lang aangehouden tonen zingt, is discant ritmisch veel actiever en zijn de stemmen hechter met elkaar verweven.
Dodecafonie of twaalftoonstechniek
Dodecafonie of twaalftoonstechniek is een compositiemethode in de muziek die in 1923 ontwikkeld werd door Arnold Schönberg. Basis van de twaalftoonstechniek is het uitsluitende gebruik binnen een compositie van een reeks waarin precies alle twaalf tonen uit de chromatiek voorkomen en een aantal daarvan afgeleide reeksen. De gedachte achter de dodecafonie werd door Schönberg als volgt omschreven: "Zwölf nur auf einander bezogene Töne", waarmee de componist een soort absolute muziek bedoelde, zonder referenties aan buitenmuzikale inhouden (programmamuziek). Geen toon mocht belangrijker zijn dan de andere, alle dienden in principe even vaak voor te komen in een compositie. Deze 'democratie' in de muziek geeft de luisteraar een onbestemd gevoel, het gehele principe van een tonica wordt in dit systeem vermeden. Schönbergs twaalftoontechniek maakt gebruik van een reeks, waarin elk van de 12 tonen eenmaal voorkomt. Deze reeks is als het ware het DNA van de compositie omdat zij het verschijnen van toonhoogtes reguleert, en wordt de normreeks genoemd. Omdat een enkele reeks onvoldoende variatie mogelijk maakte, gebruikte Schönberg tevens de "inverse" (horizontale spiegeling der intervallen), de retrograde (omgekeerde reeks) en de inverse retrograde van de rij, elk in alle transposities. Dat leverde 4 x 12 = 48 reeksen als basismateriaal voor een compositie op. (meer op Wikipedia)
De estampie is een middeleeuws instrumentaal dansvorm uit de 13e en 14e eeuw, gekenmerkt door herhaalde muzikale secties met variaties en een ritmisch aangedreven, energiek karakter. Ze bestaat meestal uit korte motieven die telkens herhaald worden met kleine melodische of ritmische veranderingen, waardoor een vloeiende en ritmische dans ontstaat. Estampies dienden zowel voor amusement aan hoven als voor muzikale oefening en laten zien hoe middeleeuwse muziek zich losmaakte van uitsluitend vocale liturgische contexten.
De Fantasie is een muzikale vrije vorm waarin de structuur niet eenduidig is vast te stellen. In sommige gevallen bedient de Fantasie zich van een liedvorm of sonatevorm, maar kan tevens als een variatie-werk geconcipieerd zijn. De fantasie verschijnt als vorm reeds in de vroege barokmuziek, en is daar sterk verwant aan de ricercare, waarin meerdere thema's worden verwerkt. In de meeste fantasie-werken wordt de vorm bepaald door een hoofdthema, gevolgd door verschillende episodes die hetzij voortborduren op het thema of daar een contrast mee vormen. Daarbij kunnen al dan niet nieuwe thema's prominent naar voren komen, of het hoofdmateriaal zodanig veranderen, dat tegen het einde van het stuk de compositie een nieuwe gestalte of karakter heeft gekregen. Veel Fantasieën eindigen ook in een andere toonsoort dan waarin ze begonnen zijn. (meer op Wikipedia)
Fluxus is een kunststroming die is ontstaan in New York in het begin van de jaren 60. Het woord fluxus (Latijn) betekent het stromen, vloeiend, vloeibaar, voortdurende verandering suggererend. De bekendste kunstenaar die betrokken was bij Fluxus was Joseph Beuys. Andere deelnemers waren toonaangevende avant-garde-kunstenaars uit verschillende landen, onder wie de Japans-Amerikaanse Yoko Ono. Een bekend Fluxus-optreden in Nederland vond op 13 november 1964 in het Kurhaus in Scheveningen plaats. Het streven van de Fluxus-kunstenaars was het bij elkaar brengen van kunst en dagelijks leven. (meer op Wikipedia)
Franconiaanse motetten zijn motetten uit de late 13e eeuw die gebruikmaken van de door Franco van Keulen beschreven mensurale notatie, waarin noten hun duur voor het eerst krijgen door hun vorm in plaats van door hun context. Hierdoor konden componisten de stemmen onafhankelijker ritmisch organiseren: de tenor behield doorgaans een relatief langzaam ritme, terwijl de bovenstemmen vrijere en meer uiteenlopende notenduren kregen. Deze ontwikkeling markeert een belangrijke stap naar een preciezere en flexibelere meerstemmige notatie.
De Haagse School is een muzikale stroming die begon in de tweede helft van de 20e eeuw. De eerste vertegenwoordigers waren als docent aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag verbonden. In het bijzonder worden de volgende componisten gezien als de stichters: Jan van Vlijmen, Louis Andriessen, Gilius van Bergeijk en Dick Raaijmakers. Ook de studenten van laatstgenoemden, onder wie Richard Ayres, Diderik Wagenaar, Ron Ford, Martijn Padding en Peter Adriaansz maken deel uit van de Haagse School. Gene Carl schreef in 1987: "Karakteristiek voor de Haagse School is luide, agressieve, ritmisch energieke muziek die wars is van elk neoromantisch sentiment en dikwijls versterkt of elektronisch gemanipuleerd wordt." Tegenover de Haagse School staat de Rotterdamse School rond onder andere Otto Ketting. (meer op Wikipedia)
Een hymne is een religieus gezang dat lof of aanbidding van God uitdrukt, vaak in vaste vorm en met een duidelijke tekststructuur. In de gregoriaanse traditie wordt een hymne meestal monofoon gezongen en begeleidt ze de liturgie op vaste momenten, zoals bij de lofzang van de kantoren of tijdens de mis. Hymnen kenmerken zich door hun ritmische regelmaat, eenvoudige melodische lijnen en literaire vorm, waardoor ze gemakkelijk door de gemeenschap of het koor gezongen konden worden.
Kyrie-gezangen vormen het openingsdeel van de christelijke mis en bestaan uit een korte liturgische aanroeping: “Kyrie eleison, Christe eleison, Kyrie eleison” (“Heer, ontferm U, Christus, ontferm U, Heer, ontferm U”). Ze zijn vaak in drieledige vorm gestructureerd, wat zowel symbolisch is (drievuldigheid) als muzikaal functioneel. In de gregoriaanse traditie worden Kyrie-gezangen monofoon uitgevoerd met een plechtige, meditatieve melodie, en ze dienden oorspronkelijk om de gelovigen tot gebed en verootmoediging te stemmen aan het begin van de mis.
In de middeleeuwse muziek is een ligatuur een samenhangend notatieteken waarin twee of meer tonen als één grafische eenheid worden geschreven. De exacte vorm van de ligatuur—zoals richting, lengte en eventuele staartjes—bepaalt hoe de afzonderlijke noten ritmisch moeten worden uitgevoerd. Ligaturen stammen uit de neumennotatie en spelen een belangrijke rol in de mensurale notatie van de Ars Antiqua en Ars Nova, waar ze werden gebruikt om vaste ritmische patronen efficiënt en herkenbaar weer te geven.
Een madrigaal is muziekvorm, in de 14e eeuw ontstaan in Noord-Italië. De term madrigaal komt waarschijnlijk van het Latijnse matricale (moedertaal), toen dus Italiaans in plaats van Latijn. In drie verschillende perioden van de muziekgeschiedenis komen we madrigalen tegen, in de middeleeuwse Italiaanse Trecento-muziek, in de renaissance, en ten slotte in de barok. Het bekendst zijn tegenwoordig de madrigalen uit de Renaissance; het was ook veruit de belangrijkste en populairste vocale vorm van deze tijd. (meer op Wikipedia)
Het Magnus liber organi (“Het grote boek van het organum”) is een belangrijke verzamelhandschrift van meerstemmige kerkmuziek uit de 12e en vroege 13e eeuw, samengesteld aan de kathedraal van Notre-Dame in Parijs. Het werk wordt traditioneel toegeschreven aan Léonin, die de eerste organumcomposities schreef, en later uitgebreid door Pérotin met complexere twee-, drie- en vierstemmige werken. Het bevat voornamelijk organum, waarbij een cantus firmus in lange noten wordt gezongen terwijl de bovenstemmen vrijer bewegen, en ook clausulae, korte polyfone passages die de basis vormen voor het latere motet. Het Magnus liber organi is van groot belang omdat het het eerste grootschalige corpus van ritmisch genoteerde polyfonie vormt en de fundamenten legt voor de verdere ontwikkeling van de westerse polyfonie.
Een masque, maskerade of maskerspel is een toneel-, muziek- en dansspektakel dat hoofdzakelijk in de 16e en 17e eeuw in aristocratische kringen populair was. De masque vond zijn oorsprong in Noord-Italië aan de hofhoudingen van adellijke families zoals de Medici en was bedoeld als opluistering voor verscheidene feestelijkheden. Via Frankrijk raakte de masque uiteindelijk vooral in Engeland populair, en ontwikkelde zich er tot een exuberant spektakel, waarvoor vooraanstaande schrijvers en componisten de tekst en muziek leverden. (meer op Wikipedia)
Mensurale notatie is een middeleeuws notatiesysteem dat vanaf de 13e eeuw werd gebruikt om de duur van noten nauwkeurig weer te geven. In tegenstelling tot eerdere notaties, waarbij ritme grotendeels uit context en ligaturen werd afgeleid, gaven de vormen van de noten zelf aan hoe lang ze moesten klinken. Dit maakte complexe meerstemmige muziek met onafhankelijke ritmes mogelijk en vormde de basis voor de latere moderne notatie.
Minimalistische muziek of minimal music is een muziekstijl met herhaling – vaak van korte muzikale frases, met subtiele variaties gedurende een lange tijd, of stilstand, vaak in de vorm van lang aangehouden tonen – een accent op consonante samenklanken en een duidelijk tempo. Deze vorm van eigentijdse klassieke muziek ontstond rond 1970. De meest prominente minimalistische componisten zijn Morton Feldman, John Adams, Philip Glass, Steve Reich en Terry Riley. De bekendste uit de Lage Landen zijn Simeon ten Holt en Wim Mertens. La Monte Young wordt over het algemeen aangemerkt als de "vader" van het minimalisme. In Nederland maakte Simeon ten Holt, met onder andere Canto Ostinato, minimalistische muziek. (meer op Wikipedia)
Modale notatie is een middeleeuws ritmisch systeem, vooral gebruikt in de 12e en 13e eeuw, waarin muziek wordt georganiseerd volgens zes vaste ritmische modi. Deze modi functioneren als metrische patronen, vergelijkbaar met poëtische voeten, en worden herkend aan de volgorde en vorm van ligaturen. Omdat individuele notenwaarden nog niet afzonderlijk werden genoteerd, bepaalde de gekozen modus hoe de noten binnen de ligaturen ritmisch moesten worden uitgevoerd. Hierdoor kon men complexe meerstemmige muziek consistent ritmisch vastleggen, nog vóór de ontwikkeling van nauwkeurigere mensurale notatie.
In de middeleeuwse muziek is een modus een vast ritmisch patroon dat dient als metrische basis voor een compositie. Elke modus bestaat uit een herhalende combinatie van lange en korte noten, vergelijkbaar met poëtische voeten. Omdat individuele notenwaarden nog niet precies werden genoteerd, bepaalde de gekozen modus hoe de opeenvolgende noten ritmisch moesten worden uitgevoerd. Hierdoor kreeg vroege meerstemmige muziek een duidelijke en voorspelbare ritmische structuur.
Een monodie is een melodie met akkoordbegeleiding. Deze oorspronkelijk uit de volksmuziek, en uit de muziek van de troubadours en trouvères, afkomstige schrijfwijze vond een enorme opgang in het begin van de barok. De begeleiding werd doorgaans genoteerd in het systeem van de basso continuo: een baslijn met cijfers die de akkoorden en hun liggingen zodanig aanduidden, dat deze improviserenderwijs konden worden uitgevoerd. (ontleend aan Wikipedia)
Het motet is van oorsprong een middeleeuwse meerstemmige compositie, ontstaan uit clausulae van het organum. Het combineert vaak meerdere onafhankelijke melodieën en teksten tegelijk, soms in verschillende talen, en ontwikkelde zich van strikt liturgische muziek tot zowel religieuze als wereldlijke muziek. Het motet kenmerkt zich door ritmische en melodische zelfstandigheid van de stemmen en werd een belangrijk middel voor muzikale expressie en contrapuntontwikkeling in de late middeleeuwen en renaissance. (meer op Wikipedia)
In het middeleeuwse motet zijn de stemmen vaak hiërarchisch verdeeld in lagen, waarbij de tenor de cantus firmus bevat, de motetus de middelste stem vormt met een eigen melodie en tekst, en de triplum de hoogste stem is met een vaak ritmisch levendige, zelfstandige melodie. Motetus en triplum bewegen onafhankelijk van elkaar en van de tenor, wat het motet zijn karakteristieke polyfone complexiteit geeft en de mogelijkheid biedt om meerdere teksten of ritmes tegelijk te combineren.
Opera is een vorm van muziektheater, waarbij een overwegend gezongen toneelstuk, in dichtmaten met orkestbegeleiding, wordt uitgebeeld. De vierhonderdjarige geschiedenis van de opera zoals we die heden ten dage kennen, vindt haar oorsprong in Florence. Eind 16e eeuw kwam hier een groep intellectuelen, edelen en muzikanten bijeen (bekend als de Camerata). Zij wilden het klassieke drama zoals het in Oudheid bestond nieuw leven inblazen. Hun grote voorbeeld hierbij was Aristoteles, die in de 4e eeuw voor Christus over toneel en muziek had geschreven, alsof deze twee zaken dezelfde waren. Volgens Aristoteles was drama de imitatie van het leven, dat verlevendigd werd met zowel versiering als melodie. Op basis daarvan veronderstelden de Florentijnen dat het klassieke drama volledig gezongen moest zijn geweest. De eerste componist die een poging deed dit in de praktijk om te zetten, was Jacopo Peri (1561-1633), die hiervoor het Grieks mythologische drama Dafne aanwendde. Dit werk is echter verloren gegaan. Een later werk van Peri, Euridice, daterend uit 1600, is de eerste opera die tot op de dag van vandaag bewaard is gebleven. (meer op Wikipedia)
Een oratorium is een omvangrijk vocaal werk met een veelal geestelijke inhoud voor orkest, zangsolisten en koor, waarbij veelal een verteller de drager van de handeling wordt. In tegenstelling tot een opera heeft een oratorium geen decor en speciale kostuums en wordt er in een oratorium niet geacteerd op een scène. Als een oratorium het lijdensverhaal van Christus als onderwerp heeft, spreekt men van een passie. Net als een opera, heeft een oratorium een libretto. Het zal veelal uit de volgende elementen bestaan: 1. Een ouverture / 2. Verschillende aria's, gezongen door vocale solisten / 3. Recitatief, vaak gebruikt om de plot te vertellen / 4. Koor. (meer op Wikipedia)
Organum is een van de vroegste vormen van westerse meerstemmigheid en ontstond in de vroege middeleeuwen als uitbreiding van de gregoriaanse gezangen. Bij organum wordt een bestaande monofone melodie, de cantus firmus, ondersteund door één of meer bovenstemmen die harmonisch of ritmisch vrij bewegen. In de oudste vormen, het organum parallellum, volgen de stemmen elkaar in vaste intervallen zoals octaven, kwinten of kwart. Later, vooral aan de Notre-Dame-school, ontwikkelde zich het organum melismaticum, waarin de bovenstemmen veel meer bewegingsvrijheid kregen en ritmisch complexer werden, terwijl de cantus firmus langzaam voortschreed. Organum diende voornamelijk liturgische doeleinden en markeerde een belangrijke stap in de ontwikkeling van polyfonie.
Petroniaanse motetten zijn late-13e-eeuwse motetten die worden toegeschreven aan of beïnvloed door Petrus de Cruce, bekend om zijn verfijning van de ritmische notatie. Ze kenmerken zich door een sterk vertraagde tenor, waarboven de hogere stemmen zeer gesubdivideerde ritmes zingen, mogelijk gemaakt door uitgebreid gebruik van de punctus divisionis. Hierdoor kregen deze motetten een grotere ritmische flexibiliteit en een meer vloeiende, haast virtuoze bovenstem.
Programmatische muziek, in het Nederlands doorgaans programmamuziek genoemd, is een vorm van muziek die een verhaal vertelt of iets uitbeeldt dat op literatuur, geschiedenis of natuur betrekking heeft. Het is muziek waarin zich een 'programma' of 'vertelling' ontvouwt. Dit in tegenstelling tot abstracte muziek, ook wel 'absolute muziek' genoemd. Overigens kan de meeste programmamuziek ook als absolute muziek genoten worden: kennis van het programma is niet per se noodzakelijk om deze muziek te begrijpen en waarderen. (meer op Wikipedia)
Psalmtonen zijn vaste melodische formules die in de gregoriaanse traditie worden gebruikt om psalmen of andere bijbelse teksten te zingen. Ze zijn zo opgebouwd dat één toon, de tenor of reciteertoon, als centrale draagtoon fungeert. De tekst wordt grotendeels op deze toon gereciteerd, waardoor een rustig en gelijkmatig ritme ontstaat dat de begrijpelijkheid en solemniteit van het gezang bevordert. Rond deze centrale toon bewegen zich korte melodische figuren, vaak aan het begin of het einde van een vers, die de tekst muzikaal markeren en de melodie variatie geven. Deze melodische formules zijn modulair van opzet: dezelfde psalmtoon kan op verschillende teksten worden toegepast.
Elke psalmtoon is gekoppeld aan een specifieke kerktoonladder. Deze ladder bepaalt de centrale reciteertoon (tenor), de begin- en slotmotieven, en de karakteristieke melodische bewegingen binnen de psalmtoon. Met andere woorden: de psalmtoon is een praktische toepassing van de modus; hij geeft een vaste melodische formule waarmee teksten binnen die modus consistent en herkenbaar gezongen kunnen worden.
Bijvoorbeeld: een psalmtoon in de dorische modus gebruikt de tonen en de centrale reciteertoon van die modus, zodat de melodie qua toonhoogte en karakter overeenkomt met de kerktoonladder. Zo vormen psalmtonen een directe link tussen de theorie van de kerktoonladders en het dagelijkse liturgische gezang, waarbij de modi de muzikale identiteit van een psalmtoon bepalen.
De reciteertoon vormt in de katholieke liturgie een sober maar betekenisvol spanningsveld tussen spreken en zingen. Zij verheft de tekst zonder haar te versieren en geeft gebeden en lezingen een rustige, waardige klank. Het grootste deel van de woorden wordt op één vaste toon gereciteerd. Vaak gaat aan deze toon een klein initium vooraf, een korte beginformule van twee of drie noten die de recitatie inleidt, terwijl elke zin wordt afgesloten met een korte cadens die de rustpunten van de tekst markeert.
Ritmische modi zijn vaste, herhalende patronen van lange en korte noten die in de 12e en 13e eeuw werden gebruikt om ritme in meerstemmige muziek te structureren. Omdat de notatie toen nog geen exacte duurwaarden aangaf, bepaalden deze zes standaardpatronen hoe de noten binnen ligaturen moesten worden uitgevoerd. Zo boden ritmische modi een duidelijke, consistente ritmische organisatie in een periode vóór de ontwikkeling van preciezere mensurale notatie.
In de middeleeuwse mensurale notatie is de semibrevis een nootwaarde die meestal de helft van een brevis duurt. Ze diende als basisduur voor kortere noten en maakte het mogelijk om ritmische variatie en subdivisie binnen ligaturen en motetten duidelijker weer te geven.
Deze was ontstaan als aanhangsel van het Alleluia en is later onafhankelijk geworden.
Het serialisme is een stroming in de muziek van de 20e eeuw met hoogtijdagen van 1947 tot 1968. De stroming betrof het oeuvre van onder anderen Olivier Messiaen, Karel Goeyvaerts, Karlheinz Stockhausen, Hans Werner Henze, Pierre Boulez, Milton Babbitt en Luigi Nono. Voortbouwend op de dodecafonie van met name Anton Webern en Arnold Schönberg ontstond de seriële techniek, die een gecodeerde rij (serie) van waarden voor alle muzikale parameters (niet alleen voor de toonhoogtes, maar ook voor de dynamiek, de toonduur en de toonkleur) als constructieprincipe aan een werk ten grondslag legde. (meer op Wikipedia)
De term sonate duikt voor het eerst op in de barokmuziek. De oervorm van de sonate vinden we bij Domenico Scarlatti. In de klassieke periode van Haydn, Mozart en Beethoven kreeg de sonate een vaste specifieke vorm. Deze bestaat uit drie of vier delen. Het eerste deel van de sonate heeft daarbij de typische sonatevorm: de expositie, die vaak herhaald werd, de doorwerking en de reprise. Vervolgens is het tweede deel vaak een rustig gedeelte. Het derde deel is vaak een Menuet of een Scherzo, een stuk in driekwartsmaat, dat wordt gevolgd door een Trio, waarna het Menuet of Scherzo herhaald wordt. Bij de vroege sonates wordt dit derde deel soms weggelaten, waardoor men direct na het langzame deel overgaat op de finale. Het laatste (derde of vierde) deel is meestal vlot en vrolijk van karakter. Dikwijls heeft het de rondovorm, soms zijn het variaties op een thema. (meer op Wikipedia)
In de gregoriaanse muziek zijn substituut-clausulae alternatieve cadensformules die dezelfde afsluitende functie vervullen als de gebruikelijke clausula, maar melodisch een andere wending nemen. Ze behoren tot het formulaïsche karakter van het gregoriaans en komen vooral voor waar een standaardcadens melodisch of tekstueel minder goed past. Zulke substituten ontstaan vaak uit lokale tradities (bijvoorbeeld St. Gallen, Metz of Aquitanië) of uit de behoefte om een cadens aan te passen aan accentuering en syllabestructuur van de tekst. In plaats van de vaste afsluitformule gebruikt de zanger dan een melodisch verwante variant die dezelfde modale rustpuntwerking heeft. Substituut-clausulae zijn daardoor functioneel gelijkwaardig aan de normale cadens, maar tonen de flexibiliteit en variatie die in de oudste bronnen van het gregoriaans gebruikelijk zijn.
Het begrip tenor heeft in de context van gregoriaanse muziek een dubbele betekenis. Oorspronkelijk verwijst het naar de toon waarop het grootste deel van een psalm of gezang wordt gereciteerd: de “draagtoon” of hoofdtoon waarop de melodie rust. Hoewel de melodische lijnen van een psalmtoon kunnen stijgen of dalen, keert de zang steeds terug naar deze centrale reciteertoon, waardoor de tekst rustig, gelijkmatig en helder kan worden voorgedragen.
In de vroege polyfonie krijgt de term een tweede betekenis en wordt hij verbonden met de stem die de cantus firmus — vaak een gregoriaanse melodie — “vasthoudt”, een functie die etymologisch teruggaat op het Latijnse tenere, “vasthouden”. Zo bestaan er binnen de geschiedenis van het gregoriaans én de daarop voortbouwende polyfonie twee verwante maar duidelijk verschillende betekenissen van het woord tenor.
Het ternair metrum is een ritmisch systeem waarin de maat is opgebouwd uit groepen van drie noten of tellen. In de middeleeuwse muziek werd het vaak geassocieerd met de perfecte of volmaakte maat, omdat het getal drie symbolisch werd gezien, en het gaf composities een vloeiend karakter.
De Tonus peregrinus is een bijzondere psalmtoon binnen de gregoriaanse traditie die opvalt door zijn afwijkende structuur ten opzichte van de gewone psalmtonen. Waar een standaard psalmtoon één centrale reciteertoon (tenor) heeft, heeft de Tonus peregrinus er twee verschillende: één voor de eerste helft van het vers en een andere voor de tweede helft. Dit geeft de melodie een karakteristiek “zwevend” of “reizend” gevoel, wat ook verklaart waarom de term peregrinus (“reiziger”) wordt gebruikt. Deze toon wordt vaak geassocieerd met psalm 113 (114) en psalm 117 (118), maar komt ook in andere contexten voor. Door de dubbele reciteertoon krijgt het gezang een uniek expressief en bijna improvisatorisch karakter, terwijl het toch binnen het stramien van de gregoriaanse psalmtonen blijft passen.
Het Trecento (Italiaans voor 300, of voor "mille trecento", 1300) verwijst naar de 14e eeuw in de Italiaanse culturele geschiedenis, en meer bepaald naar de periode tussen gotiek en renaissance. Daarnaast wordt het Trecento vaak beschouwd als het begin van de renaissance in de kunstgeschiedenis. Voor de muziek betekende het Trecento een periode van sterke activiteit in Italië, gestimuleerd door veelvuldige contacten en uitwisseling met Franse muzikanten en componisten. De term Trecento verwijst naar de Ars nova (polyfonie) in Italië, onder invloed van Frankrijk tot stand gekomen. De nadruk kwam nu meer te liggen op wereldlijke liederen (in het bijzonder liefdeslyriek) en veel van de ons overgeleverde muziek uit die tijd is polyfoon. Vooral de invloed van de troubadours die naar Italië kwamen vanwege de vervolging van de Albigenzen in de vroege 13e eeuw, was aanzienlijk. Enkele liedvormen uit de Trecento-periode zijn: Caccia, Madrigaal en Ballata. (meer op Wikipedia)
Een virginaal is een toetsinstrument met enkelkorige besnaring die steeds parallel met het toetsenbord ligt. Het virginaal is samen met het spinet de vroegste en eenvoudigste vorm van het klavecimbel. (meer op Wikipedia)
