Franse en Italiaanse muziek in de veertiende eeuw
4. Franse muziek aan het eind van de veertiende eeuw
terug naar: Franse en Italiaanse muziek in de 14de eeuw

Franse muziek aan het eind van de veertiende eeuw
Opmerkelijk genoeg lijkt men zich aan het pauselijke hof in Avignon in de veertiende eeuw intensiever te hebben toegelegd op wereldlijke muziek dan op het componeren van geestelijke werken. In Avignon – net als aan andere Franse hoven – ontwikkelde zich een rijke, hoffelijke cultuur die vele Franse en Italiaanse componisten uit de late veertiende eeuw aantrok. Zij vonden er een publiek voor verfijnde composities, vooral ballades, virelais en rondeaus, meestal opgebouwd rond een vocale solopartij met instrumentaal uitgevoerde tenor- en contratenorpartijen.
De tekst van deze liederen werd vaak door de componist zelf vervaardigd. Sommige ballades verwijzen naar tijdgenoten of actuele gebeurtenissen, maar het grootste deel bestaat uit elegante liefdespoëzie, gekenmerkt door vloeiende melodieën en subtiele harmonische schakeringen – muziek die de aristocratische cultuur op haar meest verfijnde wijze belichaamt.
De stijl van deze ars subtilior vindt haar visuele tegenhanger in de kunstzinnige vormgeving van de manuscripten: rijke ornamenten, afwisselend gebruik van rode en zwarte noten, en ingewikkelde notatievormen die soms speels of excentriek zijn. Voorbeelden zijn een liefdeslied dat in hartvorm is genoteerd of een canon in de vorm van een cirkel.
naar boven
Ritme
Kenmerkend voor de Franse wereldlijke muziek uit deze periode is de grote ritmische beweeglijkheid. Vooral de melodische solopartij vertoont een fijne detaillering in ritme: de maat wordt op talloze manieren onderverdeeld, frasen worden onderbroken door hoketuspassages, of juist vertraagd door langdurige syncopen. De stemmen kunnen gelijktijdig in verschillende maatsoorten of tijdsindelingen bewegen. Harmonische samenklanken worden doelbewust “uit elkaar getrokken” door voorhoudingen en syncopen, waardoor de harmonie een vluchtiger, bijna ongrijpbaar karakter krijgt. Soms gaat deze technische verfijning zo ver dat zij een maniëristisch karakter begint te krijgen.
De sierlijke, technisch veeleisende muziek van de Zuid-Franse hoven was bedoeld voor professionele uitvoerders en een publiek met een uitzonderlijk ontwikkeld oor. Tegen het einde van de veertiende eeuw verloor deze extreem complexe ritmiek – en de eveneens ingewikkelde notatie die erbij hoorde – echter aan populariteit.
Tegelijkertijd ontstond in Noord-Frankrijk een eenvoudiger vorm van polyfonie, gecultiveerd door muzikantengilden die de trouvèretraditie op hun manier voortzetten. Hun teksten hadden een volks aandoend karakter: geen verfijnde hoofse liefde, maar levendige scènes van jacht, markt en alledaags leven. De muziek daarbij was navenant fris en direct, met krachtige, eenvoudige ritmen die sterk doen denken aan volksmuziek.
naar boven
