menu

Nieuwsbrief Muzikale Verhalen (83) 

juni 2026  

Beste lezer,

In het aprilnummer gaf ik een inkijkje het leven van Béla Bartók (1881-1945) als jongeling. In deze nieuwsbrief pakken de draad weer op. In de muziekgeschiedenis wordt Béla Bartók vaak in één adem genoemd met Zoltán Kodály (1882-1967). Vanuit deze invalshoek citeer ik enkele fragmenten uit de componistenreeks over eerstgenoemde componist.

Ik wens je veel lees- en luisterplezier.

Imke Jelle van Dam


Inhoudsopgave


Info bekostiging maandelijkse nieuwsbrief

Mocht u iemand kennen die mogelijk ook interesse heeft in deze nieuwsbrief, dan wordt het op prijs gesteld als u deze met begeleidend schrijven doorstuurt. Men kan zich dan zelf kosteloos abonneren (info).


Zoltán Kodály (1882 – 1967)

Zoltán Kodály was een Hongaarse componist, etnomusicoloog en muziekpedagoog. Kodály wordt na Béla Bartók als de belangrijkste Hongaarse componist gezien. Na het gymnasium ging hij naar de Universiteit van Boedapest en de Franz Liszt Muziekacademie. Daar studeerde hij onder Hans Koessler, die ook de leraar was van Bartók. Samen met Bartók ging hij volksmuziek verzamelen. Ook al hechtte hij hier belang aan, hij had ook grote interesse in nationale muziek, waarvoor hij naar Bayreuth, Salzburg, Berlijn en Parijs reisde. Hij werd in 1907 leraar muziektheorie aan de Franz Liszt Muziekacademie en nam de compositieklas van Koessler over. In 1933 vroeg de Hongaarse Academie voor Wetenschappen hem en Bartók om alle beschikbare Hongaarse volksmuziek te publiceren. Na het vertrek van Bartók naar Amerika, zette Kodály het werk voort. Kodály's inspanningen op het gebied van de muziekpedagogiek leidden tot de invoering van een op zijn werk gebaseerde muziekmethode in het Hongaars lager onderwijs. Deze methode ligt ook aan de basis van het hoge niveau dat Hongaarse koren hebben bereikt.

naar boven

Bartók en Kodály: een levenslange vriendschap

In de tweede helft van 1904 hoorde Bartók het achttienjarige dienstmeisje Lidi Dósa zingen. Hij noteerde enkele van haar melodieën. Hij had geen idee dat hij kennismaakte met een van de bronnen van het oud-Hongaarse volkslied. Maar zijn interesse was gewekt.

In 1905 maakte hij een aantal zwerftochten door het land. 'Een drang naar het onbekende, een donker vermoeden dat werkelijke volksmuziek alleen maar bij de boerenklasse te vinden is, leidde mijn eerste schreden,' schreef hij later. Terwijl Bartók nog als een amateur op dit gebied door het land reisde, was zijn anderhalf jaar jongere collega Zoltán Kodály al heel professioneel bezig: gewapend met een fonograaf nam hij heel doelgericht volksliederen op en publiceerde die. Nadat Bartók het artikel van Kodály had gelezen nam hij contact op met de auteur. Kodály, die al veel verder was in zijn studie van het volkslied, legde hem uit wat folklore precies inhield en leerde hem omgaan met een fonograaf. Uit deze ontmoeting met Kodály groeide een levenslange vriendschap tussen de twee Hongaarse componisten. Overigens had Kodály in dezelfde tijd als Bartók aan de Muziekacademie gestudeerd bij dezelfde compositieleraar, Koessler, maar kennelijk op verschillende uren waardoor zij elkaar in die tijd nooit ontmoet hebben.

In maart 1910 was Bartók in Parijs op uitnodiging van de Hongaarse musicoloog Sándor Kovács, die een 'Festival hongrois' had georganiseerd. Op dit concert met werk van onder meer Bartók en Kodály, speelde Bartók zijn Bagatellen, de Fantasie nr. 1 en één van zijn twee net voltooide Roemeense dansen. Een muziekcriticus schreef in Le Temps over 'ces jeunes barbares hongroises', doelend op de nieuwe en nog onbekende muziek. In plaats van dit als een belediging op te vatten, omarmde Bartók de term. De typering "jonge Hongaarse barbaren" werd zo een geuzennaam voor hem en Kodály, die destijds werden gezien als vernieuwende, ietwat rebelse componisten die de traditionele muziek opschudden. In de tijd dat Bartók een Allegro voor piano schreef, voegde hij aan de titel van zijn pianostuk toe: barbaro.

In Boedapest vonden een week na dit concert twee belangrijke evenementen plaats: een Kodály-avond op de 17de en een Bartók-avond op de 19de maart. Deze concerten waren georganiseerd door het pas opgerichte Waldbauer-Kerpely Kwartet, een ensemble van net aan de Academie afgestudeerde jongelui, die enthousiaste aanhangers waren van de voormannen van de nieuwe Hongaarse muziek. Op het Bartók-concert waaraan de componist zelf als pianist deelnam (evenals aan het Kodály-concert), gaf dit kwartet de première van het Eerste strijkkwartet. Voor de instudering hadden zij een kleine honderd repetities nodig gehad. Met het oog op de conservatieve kritiek was het misschien niet erg handig dat tijdens dezelfde avond eveneens Bartóks pianokwintet uit 1904 werd uitgevoerd. De vergelijking viel natuurlijk ten gunste van het laatste werk uit: 'Ook in zijn nieuwe kwartet Opus 7 suist en gist het nog erg wild [ ... ] Bijna als een ironisch tegenstuk werkt dan zijn ongeveer zeven jaar geleden geschreven pianokwintet, dat van een zeer geloofwaardig e-klein uitgaat. Het is een knap werk van de zeer jonge, nog zeer toegankelijke Bartók, die de melodie en de heldere opbouw nog niet verachtend afgezworen heeft.'

Bartók ergerde zich zo over het tegenover elkaar stellen van deze werken, dat hij een uitvoering van zijn pianokwintet niet meer toestond. Twintig jaar later werd het niettemin nog eens gespeeld, echter zonder Bartók, en opnieuw loofde men het werk ten nadele van zijn nieuwere werken. De componist werd er wederom zo boos over, dat Kodály later geloofde dat Bartók de partituur vernietigd had.

Voor Kodály was het aan hem gewijde concert een debuut als componist; zijn muziek werd van meet af aan beter begrepen dan die van Bartók. Laatstgenoemde schreef in een brief: “Kodály heeft een geweldig succes gehad. Zijn avond was een echte sensatie, want er dook per slot van rekening een tot nu toe volledig onbekende man als een van de eersten op. Van Kodály werd in het algemeen geconstateerd dat zijn muziek veel tammer, menselijker is dan de mijne. De Waldbauers hebben heerlijk gespeeld, werkelijk als een eersteklas strijkkwartet. (…)”

Het vriendenpaar werd internationaal al spoedig in één adem genoemd en ook in het buitenland bleek dat Kodály's muziek een betere ontvangst kreeg dan die van Bartók. Op het muziekfestival van de Allgemeine Deutsche Musikverein in Zürich trad Bartók op 28 mei op als solist in zijn Rapsodie, opus 1, die weliswaar geen slechte kritiek kreeg, maar toch bij het publiek weinig succes oogstte. Ook over het Eerste strijkkwartet, dat door het Waldbauer Kwartet in Wenen, Berlijn, Den Haag en Parijs werd uitgevoerd, was niemand enthousiast. Daarentegen werd Kodály's kwartet op het Zürichse Festival warm onthaald. Door al deze teleurstellingen raakte Bartók langzaamaan ontmoedigd.

De Kodály- en Bartók-avonden in maart 1910 hadden aangetoond dat er vooral bij jongeren wel degelijk begrip was voor de nieuwe Hongaarse muziek; bovendien weten de componisten de slechte ontvangst van hun werken aan de incompetentie van de dirigenten en het onbegrip van de uitvoerende musici, waarvan het gevolg was dat de uitvoeringen vaak miserabel waren. Bartók verwoordt dat in zijn autobiografie: “Mijn werken vanaf Opus 4 [ ... ] ontmoetten in Boedapest vanzelfsprekend grote weerstand. Reden van het niet-begrijpen was onder meer ook dat onze nieuwe orkestwerken bijna zonder uitzondering op tamelijk onvolkomen wijze uitgevoerd werden, want er was noch een dirigent met begrip noch een geschikt orkest voorhanden.”


naar boven

Gids voor orkestmuziek (56): Mozart (16)

Pianoconcert in C (K.V. 467) (1785)

Allegro maestoso - Andante - Allegro, vivace assai

De pianistische techniek van het concert in C-dur is een afspiegeling van Mozarts eigen ontwikkeling in zijn speel­wijze. Het stelt hogere eisen aan kracht, uithoudingsvermo­gen, en het passagespel is veelzijdiger geworden. En al is de idee verpozingsmuziek hier duidelijk waarneembaar, het briljante element is zowel aanwezig door de rijke orkest­bezetting met trompetten en pauken, als in de feestelijke inzet door een martiaal thema. Een fors militair thema naar de smaak van de tijd welke de Franse vorm van het militaire concert graag hoorde. Die marsachtige thematiek (ook in de blazers en het slagwerk gaat het er militairement naar toe) beheerst het karakter van de eerste satz. Mozart spitst alles toe op de dramatische contrastwerking van solo en orkest. Die contrastwerking is er ook in het charmante tweede thema ten overstaan van het eerste ridderlijke. Al vindt men de bekende toonfiguren: toonladderloopjes en trillers regelmatig zoals steeds bij Mozart terug, voortdu­rend worden nieuwe kleine invallen, kleine kostbaarheden ontdekt welke de meesterhand van de genius verraden. Daaraan ontbreekt het ook niet in het andante; de schoonste fijngelede melodieën wellen op uit die natuurlijke bron van inspiratie die Mozart is geweest. En de finale is in het voor­geschreven, gestrekte tempo een dankbare opgave voor pianisten in het algemeen, en speciaal voor hen met een virtuoze aanleg.

Muziekvoorbeeld

naar boven