menu

Het gregoriaans en het wereldlijke lied in de middeleeuwen 

6. Niet-liturgische en wereldlijke monodie  


terug naar Het gregoriaans en het wereldlijke lied in de middeleeuwen

Goliardenliederen

De oudste wereldlijke muziek die is overgeleverd, bestaat uit Latijnse liederen, waarvan de goliardenliederen uit de elfde en twaalfde eeuw de vroegste zijn. De goliarden – zwervende studenten en geestelijken, genoemd naar de fictieve bisschop Golias – bezongen hun rondtrekkend bestaan, vaak met humor en satire. Hun teksten draaiden om wijn, vrouwen en spot met gezag.

De bekendste bron is het manuscript Carmina Burana (ca. 1230, Zuid-Duitsland), met circa 250 gedichten, waarvan zo’n veertig melodisch genoteerd in neumen. Deze melodieën zijn deels bewaard gebleven en vertonen zowel verwantschap met gregoriaans als wereldlijke kenmerken, zoals dansritmes en herhalingen.

Andere bronnen zijn de Cambridge Songs (11e eeuw) en de Carmina Rivipullensia (Catalonië), die eveneens Latijnse wereldlijke liederen bevatten met beperkte notatie. De muziek was meestal eentonig, maar aanwijzingen suggereren dat eenvoudige meerstemmigheid soms werd toegepast.

Muziekvoorbeelden op YouTube

Aanvullende informatie bij onderstaande muziekvoorbeelden

  1. Carmina Burana (Codex Buranus) (ca. 1230)
  2. Cambridge Songs (11de eeuw)
  3. Carmina Cantabrigiensia (11de en 12de eeuw)

naar boven

Conductus

De conductus is een term uit de middeleeuwse muziek voor een een- of meerstemmig, feestelijk Latijns geestelijk gezang. Vooral in de dertiende en veertiende eeuw was het een populaire vorm, waarbij tekst en melodie vrij werden gecomponeerd, in tegenstelling tot muziek die was gebaseerd op bestaande gezangen zoals het organum of motet. Het woord conductus is afgeleid van het Latijnse conducere, wat ‘begeleiden’ betekent, omdat het oorspronkelijk werd gebruikt om processies of andere liturgische handelingen te begeleiden.

Kenmerkend voor de conductus is dat zowel melodie als tekst doorgaans nieuw werden gecomponeerd en niet leunden op Gregoriaanse of andere bestaande gezangen. In de latere ontwikkeling werd de conductus een voorbeeld van meerstemmige muziek waarin alle stemmen een gelijkmatig ritme deelden, een stijl die bekendstaat als “noot tegen noot” polyfonie. Zo ontwikkelde de conductus zich van een begeleidingsgezang tot een algemene vorm van feestelijk, geestelijk muziekgezang.

Muziekvoorbeelden op YouTube

Aanvullende informatie bij onderstaande muziekvoorbeelden

  1. Anoniem: a laudis, homo, nova cantica (Conductus), circa 1200
  2. Anoniem – Cedit frigus hiemale (Conductus, ca. 1200)
  3. Anoniem – Salve Virgo Virginum (Conductus, ca. 1200)
  4. Anoniem – Flos ut rosa (Conductus, ca. 1200)
  5. Anoniem – Ave Maria (Conductus a 3 voci, ca. 1200, Notre-Dame van Parijs)

naar boven

Heldenlied

Wereldlijke muziek komt nog duidelijker naar voren in liederen in de volkstaal. Een van de vroegste vormen was het chanson de geste (heldenlied), een episch verhaal over nationale helden. De melodie bestond uit eenvoudige formules die herhaald konden worden voor verschillende tekstregels. Deze liederen werden mondeling overgeleverd en pas laat genoteerd; vrijwel geen melodieën zijn bewaard. Het bekendste voorbeeld is het Roelandslied, het Franse nationale epos uit de late elfde eeuw, gebaseerd op de heldendaden uit de tijd van Karel de Grote.

Muziekvoorbeeld op YouTube

Aanvullende informatie bij onderstaand muziekvoorbeeld

  1. Anoniem: Roelandslied

naar boven

Jongleurs

De zangers van chansons de geste en andere middeleeuwse wereldlijke liederen stonden bekend als jongleurs of minstrelen, een categorie professionele musici die rond de tiende eeuw voor het eerst opdook. Mannen en vrouwen trokken alleen of in groepen van dorp tot kasteel en voorzagen in hun levensonderhoud met zang, dans, kunstjes en gedresseerde dieren, vaak zonder wettelijke bescherming of kerkelijke sacramenten.

Hun positie verbeterde toen Europa in de elfde en twaalfde eeuw een periode van economische bloei kende en steden groeiden. Minstrelen organiseerden zich in broederschappen, die later uitgroeiden tot gilden met professionele opleidingen.

De meeste minstrelen waren geen dichters of componisten; zij verzorgden zang, spel en dans bij liederen van anderen of uit de volksmuziek. Hun tradities en vaardigheden droegen bij aan een belangrijke ontwikkeling van de wereldlijke muziek in West-Europa: het repertoire van troubadours en trouvères.

naar boven

Troubadours en trouvéres

De troubadours waren in de Provence populaire dichter-componisten die in het Provençaals (langue d’oc) schreven. Hun kunst werd beïnvloed door de Spaans-Moorse cultuur en verspreidde zich noordwaarts; in Champagne en Artois ontstond het werk van de trouvères in de langue d’oïl, het middeleeuwse dialect dat later tot het moderne Frans uitgroeide. Noch troubadours noch trouvères vormden een duidelijke groep. Hun werk was populair in aristocratische kringen; de eerste bekende troubadour, Guilhem IX (1071–1126), was hertog van Aquitanië. Soms mochten talentvolle artiesten van lagere geboorte toetreden tot deze sociale kringen.

De liederen zijn bewaard in chansonniers: van de troubadours ca. 2600 gedichten en 260 melodieën, van de trouvères 2130 gedichten en 1420 melodieën. De meeste liederen zijn thematisch eenvoudig; religieuze liederen verschijnen pas laat in de dertiende eeuw. Het thema van de hoofse liefde (amour courtois) domineerde vooral in het zuiden.

Een populair genre was de pastourelle, waarin een ridder een herderinnetje verleidt. Oorspronkelijk monologen, evolueerden deze naar dialogen, soms met extra episodes, begeleid door zang en dans, waardoor kleine zangspelen ontstonden. Het bekendste voorbeeld is Jeu de Robins et de Marion van Adam de la Halle (ca. 1237–1287), met zowel dialogen als liederen, deels meerstemmig.

naar boven

Melodische technieken van troubadours en trouvéres

De melodieën van de troubadours en trouvères zijn overwegend syllabisch, met hier en daar korte melismen, meestal op de voorlaatste lettergreep van een regel [1]. De frasen in trouvèreliederen zijn duidelijk afgebakend, kort en hebben een gemakkelijk herkenbaar melodisch profiel [2]. Troubadourmelodieën klinken doorgaans vrijer en ritmisch subtieler. In het algemeen vertonen de trouvèreliederen verwantschap met de Franse volksmuziek, terwijl die van de troubadours verfijnder en ritmisch complexer zijn.

Door herhaling, variatie en contrast ontstonden bij beide groepen vaste patronen: vaak wordt de beginfrase herhaald voordat een vrijere passage volgt. In deze liederen liggen de wortels van de latere vaste vormen van de veertiende eeuw — de ballade, het virelai en het rondeau.

De kunst van de troubadours vormde het voorbeeld voor de Duitse Minnesinger, dichters en componisten van hoofse liefdesliederen (hohe Minne), vaak met een religieuze ondertoon. Hun teksten bezingen de liefde [3] en de lente, of waarschuwen — zoals in de Wächterlieder [4] — geliefden voor het aanbreken van de dageraad. Ook devote liederen, soms geïnspireerd door de kruistochten, waren populair, zoals het Palästinalied van Walther von der Vogelweide (ca. 1170–1228), waarvan de melodie volledig bewaard is gebleven [5].

Een belangrijke minnezanger was Henric van Veldeke, afkomstig uit Belgisch-Limburg. Rond 1200 schreef hij verfijnde minneliederen [6]. Van Veldeke wordt beschouwd als de oudste bij naam bekende Nederlandse dichter en vormt een schakel tussen de Franse troubadours en de Duitse Minnesinger.

Muziekvoorbeelden op YouTube

Aanvullende informatie bij onderstaande muziekvoorbeelden

  1. Giraut de Bornelh – Non puesc sofrir d’amor la pena (ca. 1170)
  2. Anoniem (trouvère) – Amis, amis, trop me laissiez (ca. 1200)
  3. Anoniem – Min herze unde min lip die willent scheiden (ca. 1220–1240)
  4. Anoniem – Der Wächter sang von minnen wol (ca. 1200–1220)
  5. Walther von der Vogelweide - Palästinalied
  6. Heinrich von Veldeke / Richard de Semilli – Als die vogele singen (ca. 1170–1190)

naar boven

Meistersinger

Tegen het einde van de dertiende eeuw werd de kunst van de Franse trouvères steeds minder beoefend door aristocraten en steeds meer door de burgerij. In Duitsland gebeurde iets vergelijkbaars: de Minnesinger werden in de loop van de veertiende eeuw opgevolgd door de Meistersinger, handelaren en ambachtslieden van de Duitse steden die zich in gilden organiseerden.

Een van de mooiste bewaard gebleven composities van Hans Sachs (ca. 1550) is Nachdem David war redlich, een commentaar op de twist tussen David en Saul uit het Eerste boek van Samuël. Het stuk is geschreven in de voor Minneliederen typische Barvorm (AAB), waarbij de eerste twee secties (Stollen) dezelfde melodische frase herhalen en het Abgesang nieuw materiaal bevat.

Afgezien van dergelijke meesterwerken werd de Meistersinger-traditie sterk door strikte regels bepaald, waardoor de muziek stijf en weinig expressief overkomt vergeleken met de Minnelieder. Het gilde van de Meistersinger bleef bestaan tot de negentiende eeuw.

Naast de wereldlijke eenstemmige liederen waren er in de middeleeuwen ook veel religieuze liederen buiten de kerk, geschreven in de volkstaal [2]. Ze waren uitingen van persoonlijke vroomheid en melodisch een mengvorm tussen kerkzang en volksmuziek.

Muziekvoorbeelden op YouTube

Aanvullende informatie bij onderstaande muziekvoorbeelden

  1. Hans Sachs - Nachdem David war redlich
  2. Medieval Religious & Sacred Music | Ancient Christian Hymns of the Middle Ages

naar boven

Liederen uit andere landen

De weinige Engelse liederen uit de dertiende eeuw [1] tonen een groot uiteenlopend karakter en wijzen op een omvangrijke muzikale traditie. Voor het Nederlandse wereldlijke lied uit de middeleeuwen zijn de belangrijkste bronnen het laatveertiende-eeuwse Gruuthuse-handschrift, met 147 nieuwjaars-, mei-, dans- en drinkliederen, en het in 1544 in Antwerpen gedrukte Schoon liedekensboeck of Antwerps Liedboek [2].

In Spanje zijn meer dan vierhonderd eenstemmige Cantigas de Santa Maria bewaard gebleven, verzameld tussen 1250 en 1280 onder koning Alfonso el Sabio in prachtig geïllustreerde manuscripten [3]. In Italië ontstonden rond dezelfde tijd de lauda's, energieke eenstemmige liederen gezongen in lekenbroederschappen en tijdens boetprocessies [4]. Verwant aan de lauda zijn de veertiende-eeuwse Duitse Geisslerlieder, liederen van flagellanten [5].

Zowel lauda's als Geisslerlieder weerspiegelen de sterke middeleeuwse neiging tot boetedoening, versterkt door de Zwarte Dood. In Italië bleef de lauda populair en kregen veel teksten later een polyfone zetting.

Muziekvoorbeelden op YouTube

Aanvullende informatie bij onderstaande muziekvoorbeelden

  1. x
  2. x
  3. x
  4. x
  5. x

naar boven