Het ontstaan van polyfonie en de muziek van de dertiende eeuw
5. De ritmische modi
terug naar: Het ontstaan van polyfonie en de muziek van de 13de eeuw

De ritmische modi
Componisten uit de elfde en twaalfde eeuw ontwikkelden een ritmisch notatiesysteem dat tot in de dertiende eeuw bruikbaar bleef voor meerstemmige muziek. Dit systeem verschilde wezenlijk van onze moderne notatie: men gebruikte geen verschillende notenwaarden, maar combinaties van enkele noten en vooral groepjes noten die specifieke ritmische patronen aanduidden. Rond 1250 werden deze patronen vastgelegd in de zes ritmische modi, die doorgaans met nummers werden onderscheiden. De modi corresponderen met versvoeten uit de Franse en Latijnse poëzie: de eerste met de trochee, de tweede met de jambe, de derde met de dactylus en de vierde met de anapest. Zangers konden de vereiste modus herkennen aan de groepering en volgorde van de noten. Ligaturen – samengestelde tekens die twee of meer tonen omvatten en ontleend waren aan de gregoriaanse neumen – speelden daarbij een cruciale rol.

naar boven
Muziekvoorbeelden op YouTube
Achtergrondinformatie bij onderstaande muziekvoorbeelden
naar boven
