Muziek uit de middeleeuwen (500-1400)
Het ontstaan van polyfonie en de muziek van de dertiende eeuw
- Inleiding op het ontstaan van de polyfonie
- Historische achtergrond van de vroege polyfonie
- Vroeg organum
- Melismatisch organum
- De ritmische modi
- Het Notre Dame-organum (Leoninus / Het organum van Perotinus)
- De polyfone conductus (Verschil tussen organum en conductus / Kenmerken van de conductus)
- Het motet (Oorsprong en algemene kenmerken / Motetteksten / Franconiaanse en Petroniaanse motetten / Mensurale notatie / Hoketus
- Ars antiqua (1150 - 1300)
terug naar: Muziek uit de Middeleeuwen

1. Het ontstaan van polyfonie en de muziek van de dertiende eeuw
De polyfonie, het samengaan van meerdere onafhankelijke stemmen, ontstond uit het eenstemmige gregoriaans van de vroege middeleeuwen. In het vroege organum werd een tweede stem parallel aan de melodie toegevoegd, meestal op een kwart of kwint afstand.
Later ontwikkelde zich het melismatisch organum, waarin de onderste stem (tenor) lange tonen aanhield terwijl de bovenstem sierlijke melismen zong. Om deze complexe meerstemmigheid te structureren, gebruikten componisten de ritmische modi, vaste ritmepatronen die voor samenhang zorgden.
De Notre Dame-school van Parijs, met Léonin en Pérotin als belangrijkste vertegenwoordigers, bracht de polyfonie tot grote bloei. Léonin componeerde tweestemmig organum, terwijl Pérotin dit uitbreidde tot drie- en vierstemmige werken zoals Viderunt omnes.
Naast het organum ontstond de polyfone conductus, waarin alle stemmen dezelfde tekst en een vrijer ritme hadden. Uit deze traditie groeide het motet, waarin verschillende teksten en melodieën boven een vaste tenor werden gecombineerd.
Zo legde de dertiende eeuw de basis voor de verdere ontwikkeling van de westerse meerstemmige muziek.
naar boven
