menu

Het ontstaan van polyfonie en de muziek van de dertiende eeuw 

6. Het Notre Dame-organum  


terug naar: Het ontstaan van polyfonie en de muziek van de 13de eeuw

Het Notre Dame-organum

In de loop van de twaalfde en het begin van de dertiende eeuw werd een notatiesysteem voor ritme ontwikkeld, afgestemd op de wensen van componisten van meerstemmige muziek. Zij werkten in steden als Parijs, Beauvais en Sens. Tot deze school behoren de eerste twee polyfonisten van wie de naam bekend is: Leoninus (ca. 1159 – ca. 1201), kanunnik van de Notre-Dame in Parijs, en Perotinus (ca. 1170 – ca. 1236), eveneens verbonden aan deze kathedraal. Hun composities, samen met werk van anonieme tijdgenoten, vormen wat bekendstaat als de muziek van de Notre-Dame-school.

Vanaf de twaalfde eeuw ontwikkelde de kunst van het meerstemmig componeren zich in Noord-Frankrijk tot midden veertiende eeuw, waarna de techniek zich over Europa verspreidde. De belangrijkste bijdragen op het gebied van organum kwamen uit Parijs; ook elders in Frankrijk, Engeland, Spanje en Italië werd organum gezongen, maar niet op vergelijkbaar niveau. Het merendeel van de gezangen voor mis en officie bleef eenstemmig, en in dezelfde manuscripten waarin organum en andere polyfone stukken staan, is ook nieuw gecomponeerde eenstemmige muziek te vinden.

naar boven

Leoninus

In de muziek van de Notre-Dame-school en uit de late dertiende eeuw zijn drie belangrijke stijlen of compositietypes te onderscheiden: organum, conductus en motet. Léonin componeerde voor het hele kerkelijke jaar het Magnus liber organi (Het grote organumboek), een cyclus van tweestemmige gradualen, alleluia’s en responsoria. De organa van Leoninus zijn zettingen van de solopartijen van de responsoriale gezangen van de mis en het officie.

Een bekend voorbeeld is het Alleluia Pascha nostrum voor de paasmis. Hierin bleven de koorsecties eenstemmig (gregoriaans), terwijl de solistische secties polyfoon werden uitgevoerd: als organum duplum (tweestemmig) in de stijl van organum purum (lang aangehouden tenor met sterk versierde, vrij bewegende bovenstem) of discant (stemmen bewegen ritmisch samen). De reeds bestaande contrasten in vorm en timbre binnen de responsoria werden zo versterkt.

In zowel organum purum als discant gaat de inzet van een nieuwe toon in de tenor doorgaans gepaard met een volkomen consonant. Aan het eind van lange secties, zoals bij “lu” en “ia” van “alleluia”, kan een secunde naar een priem oplossen of een septiem naar een octaaf, vergelijkbaar met een moderne voorhouding.

De keuze voor organum purum of discant volgde een duidelijk principe: lang aangehouden tonen in de tenor leenden zich voor syllabische of licht melismatische passages van het oorspronkelijke gezang, terwijl sterk melismatische secties kortere tenorwaarden vereisten om de uitvoering niet onnodig te verlengen. Deze meer melismatische delen werden in discantstijl geschreven en noemde men clausulae (meervoud van clausula), die altijd met een duidelijke slotcadens eindigden.

De stijl van Leoninus kenmerkte zich door het naast elkaar plaatsen van oude en nieuwe elementen: melismatisch organum wisselde af met levendige, ritmische discant-clausulae, waardoor sterke contrasten ontstonden. In de loop van de dertiende eeuw verdrong de discantstijl het organum purum geleidelijk, en de clausulae werden steeds meer zelfstandige stukken, waaruit uiteindelijk een nieuwe vorm ontstond: het motet.

naar boven

Het organum van Perotinus

De muziek van Perotinus en zijn tijdgenoten kan worden beschouwd als de voortzetting van het werk van Leoninus en diens generatie. De formele structuur van het organum bleef bij Perotinus in grote lijnen behouden (nog steeds werden meerstemmige secties afgewisseld met eenstemmig gregoriaans), maar de meerstemmige secties tendeerden naar een steeds grotere ritmische precisie. Zo bestond de tenor in het organum van Perotinus vaak uit een reeks herhalingen van identieke ritmische motieven, meestal in de derde of vijfde ritmische modus. Bovendien moest ook de melodie van de tenor vaak in zijn geheel of gedeeltelijk worden herhaald om een passage op de gewenste lengte te brengen.

Een belangrijke vernieuwing van Perotinus en zijn tijdgenoten was dat het tweestemmige organum werd uitgebreid met een derde of een vierde stem. Omdat de tweede stem steeds duplum werd genoemd kregen de nieuwe derde en vierde stem de namen triplum en quadruplum. In de dagen van Perotinus en nog lange tijd daarna was het driestemmige organum de overheersende vorm.

Bij de organa van Perotinus bewegen alle stemmen zich binnen hetzelfde register, al is de tenor over het algemeen de laagste. Het beperkte melodische bereik geeft dikwijls aanleiding tot stemkruising. Andere technieken die men bij Perotinus aantreft zijn korte melodische sequensen en herhalingen van motieven. Tussen de verschillende stemmen treden regelmatig dissonanten op, maar bij alle cadensen en op de meeste ritmische zwaartepunten vindt men volkomen consonanten zoals priemen, kwinten en octaven. Opvallend zijn ten slotte nog de gepaarde frasen die behalve een overeenkomstige opbouw ook een voorzin-nazin relatie vertonen.

naar boven