menu

Het ontstaan van polyfonie en de muziek van de dertiende eeuw 

8. Het motet  


terug naar: Het ontstaan van polyfonie en de muziek van de 13de eeuw

Oorsprong en algemene kenmerken

Leoninus (Léonin, ~ 1159 – 1201) introduceerde als eerste afzonderlijke secties in discantstijl in het organum, de zogenaamde clausulae. Componisten van de volgende generatie, waaronder Perotinus (Protin, ~ 1170 – ~ 1236), namen dit idee over. Veel clausulae waren bedoeld als vervanging, de zogeheten substituut-clausulae, die onderling uitwisselbaar waren: op dezelfde tenor bestonden vaak vijf tot tien varianten. Uiteindelijk kwamen de clausulae los te staan van de grotere organa en ontwikkelden zich tot zelfstandige composities. Waarschijnlijk vanwege de toevoeging van woorden werden deze autonome clausulae motetten genoemd (‘mot’ is Frans voor ‘woord’).

In de dertiende eeuw werden duizenden motetten gecomponeerd, die zich vanuit Parijs over West-Europa verspreidden. Belangrijke bewaarde manuscripten zijn onder meer de Montpellier Codex, de Bamberg Codex en de Las Huelgas Codex. Omdat in de meeste motetten elke partij een andere tekst heeft, worden ze vaak aangeduid met een samengestelde titel bestaande uit de eerste woorden van elke stem. Van de meeste motetten is de componist onbekend.

Het vroegste motet type baseerde zich op substituut-clausulae met Latijnse teksten in de bovenstemmen. Al snel werden motetten losser van bestaande melodieën: men behield de tenor, maar componeerde nieuwe melodieën voor bovenstemmen, waardoor teksten vrij gekozen konden worden. Bovenstemmen kregen vaak wereldlijke teksten in de landstaal, terwijl de tenor vaak instrumentaal werd uitgevoerd. Al voor 1250 werden voor de bovenstemmen soms verschillende teksten gebruikt, meestal in dezelfde taal (Latijn of Frans), maar soms ook gecombineerd. Het driestemmige motet met verschillende teksten werd in de tweede helft van de dertiende eeuw de standaard.

Ook clausulae van het Alleluia Pascha nostrum uit het Magnus liber organi werden tot motetten omgewerkt. Zo ontstond uit een substituut-clausula op nostrum het motet Salve, salus hominum – O radians stella preceteris – Nostrum. Door de bovenstemteksten te vervangen door Franse teksten kreeg hetzelfde motet een wereldlijke functie als Qui d'amors veut bien – Qui longuement porroit – Nostrum.

Na het midden van de dertiende eeuw werden tenorpartijen steeds vaker ontleend aan andere bronnen dan de Notre-Dame-boeken, zoals Kyrie-gezangen, hymnen, antifonen, wereldlijke chansons en instrumentale estampies. De tenorpartijen waren aanvankelijk gekenmerkt door herhaalde ritmische patronen, maar geleidelijk ontwikkelden componisten een grotere continuïteit tussen de stemmen. Frasen in de motetus of het triplum begonnen en eindigden nu op andere momenten dan de tenor, waardoor het haperende effect dat in vroegere motetten optrad, werd vermeden, zoals in Salve, salus hominum – O radians stella preceteris – Nostrum.

Petrus de Cruce: Aucun ont trouv" chant par usage (i.p.v. Qui d'amors veut bien – Qui longuement porroit – Nostrum, waarvan geen voorbeeld op YouTube te vinden is)

naar boven

Motetteksten

In de regel was de poëzie die voor motetteksten werd gebruikt niet van een bijzonder hoog literair niveau; in de gedichten zien we een overvloed aan alliteratie, stereotiepe beelden en uitdrukkingen, overdreven rijmschema's en grillige strofenvormen (hoeveel versregels, het metrum, het rijmschema en soms het ritme van die strofe). Vaak kregen bepaalde klinkers of lettergrepen in alle stemmen de nadruk, gelijktijdig of in echovorm, zodat overeenkomsten in de strekking van de tekst worden versterkt door overeenkomsten in de klank.

In de Franse motetten (dat wil zeggen de motetten met een Franse tekst in de motetus en het triplum) bestond er zelden enig verband tussen de bovenstemmen en de gregoriaanse tenor, die enkel diende als een gemakkelijke, traditionele, instrumentaal uitgevoerde cantus firmus. De twee Franse teksten in de bovenstemmen waren bijna altijd liefdesliederen. Het triplum was doorgaans opgewekt, de motetus daarentegen klaaglijk; beide gedichten waren meestal in dezelfde stijl als de trouvèreliederen uit die tijd. Heel wat Franse motetten hebben in één of meer van de bovenstemmen, meestal aan het eind van de strofe, een refrein.

Het samengaan van de diverse stemmen leverde geen homogeen ensemble op, zoals bij latere trio's of kwartetten. Zelfs als ze allemaal tegelijk klonken was de algemene indruk veeleer die van een heterogene opeenstapeling van afzonderlijke partijen. Het verband tussen de partijen werd aangebracht door muzikale en tekstuele overeenkomsten, zoals consonante samenklanken en echowerking met klinkers, maar ook met een subtiel middel: een symbolische eenheid, die zelfs het gebruik van verschillende talen in de motetus en het triplum kon overbruggen.

naar boven

Franconiaanse en Petroniaanse Motetten

In vroege motetten waren motetus en triplum nog sterk gelijkwaardig: ze verweefden zich in een levendige beweging en weken slechts licht af van de ritmische modus. Later begonnen componisten echter duidelijke stilistische verschillen tussen de bovenstemmen aan te brengen. Deze motetten worden Franconiaans genoemd, naar Franco van Keulen (ca. 1250–1280). Het triplum kreeg een langere tekst en een snel, beweeglijk karakter; de motetus werd lyrischer en meer uitgesponnen.

Halverwege de dertiende eeuw werd het motet gekenmerkt door de strakke ritmiek van de tenor, die contrasteerde met de vrijer gefraseerde bovenstemmen. Tegen het einde van de eeuw werd ook de tenor soms flexibeler, wat leidde tot twee hoofdtypen motetten:

  1. een Petroniaans type (naar Petrus de Cruce), met een snel triplum, langzamere motetus en een streng geritmiseerde gregoriaanse tenor;
  2. een type met een tenor met een Franse wereldlijke tekst, waarbij de stemmen ritmisch meer gelijk op gaan.

Ritmisch veranderde er in de dertiende eeuw veel meer dan harmonisch. Kwint en octaaf bleven de belangrijkste consonanten; tertsen werden geleidelijk aan meer aanvaard, terwijl de kwart vaker als dissonant werd behandeld. Consonanten moesten op de tenortonen vallen; daartussen waren dissonanten toegestaan. Hierdoor ontstond een typische combinatie van snelle melodische beweging en brede harmonische lijnen. Rond 1300 hadden cadensen vaste vormen gekregen die in de veertiende en vijftiende eeuw zouden voortleven.

naar boven

Mensurale notatie

In de loop van de dertiende eeuw leidde de toenemende ritmische verfijning tot veranderingen in het notenschrift. Voorheen was de organisatie van het ritme gebaseerd op de ritmische modi, waarbij ligaturen en het metrum van de tekst de enige middelen waren om ritmische variaties aan te geven. Met de bloei van het motet ontstond een probleem: de tenor kon nog wel modaal genoteerd worden, maar de bovenstemmen waren meestal syllabisch, met één lettergreep per noot, waardoor ligaturen weinig betekenis hadden. Er was daarom een systeem nodig om de relatieve duur van de noten duidelijk vast te leggen.

Een oplossing werd geboden in Ars cantus mensurabilis (ca. 1250) van Franco van Keulen. Hierin werden de waarden van noten, ligaturen en rusten codificeerd. Het systeem bleef tot ca. 1325 in gebruik en beïnvloedde de notatie tot in de zestiende eeuw. Net als bij de ritmische modi was het schrift gebaseerd op drietallen. Vier noten werden gebruikt: dubbele longa, longa, brevis en semibrevis, waarbij de brevis de tijdseenheid (tempus) vormde. Longae konden perfect (drie tempora) of imperfect (twee tempora) zijn; breves bevatten één of twee tempora, en semibreves konden één- of twee-derde tempus zijn. Drie tempora vormden een perfectio, vergelijkbaar met een moderne driedelige maat. Daarnaast bevatte het systeem tekens voor rusten en regels voor ligaturen.

Wanneer componisten zoals Petrus de Cruce een brevis in vier of meer noten wilden verdelen, gebruikten ze extra semibreves en gaven soms groeperingen aan met punten. Zo ontstonden noten korter dan de semibrevis, aanvankelijk zonder aparte tekens.

Ook de notatie van motetten evolueerde. In vroege motetten stonden de stemmen boven elkaar zoals bij de clausulae. Door de langere teksten in de bovenstemmen werd deze conventionele notatie inefficiënt: de tenor had weinig noten, terwijl motetus en triplum veel ruimte innamen. Hierop ontstond de zogenaamde koorboekzetting, waarbij motetus en triplum in aparte kolommen op dezelfde of op aangrenzende pagina’s werden genoteerd, met de tenor onderaan op één balk. Deze manier van noteren bleef van ca. 1230 tot in de zestiende eeuw de standaard voor meerstemmige muziek.

naar boven

Hoketus

Hoketus duidt geen vorm aan, maar een techniek. Hierbij wordt de melodie onderbroken door rusten, terwijl een andere stem de ontbrekende noten invult. Zo wordt de melodische lijn tussen stemmen verdeeld. Het resultaat is een soort “hikken” (Latijn ochetus), waar de term waarschijnlijk van is afgeleid. Hoketuspassages komen incidenteel voor in laat-13e-eeuwse wereldlijke conducti en motetten, maar vooral aan het begin van de 14e eeuw. Composities waarin deze techniek veelvuldig wordt toegepast worden hoketus genoemd en kunnen zowel vocaal als instrumentaal zijn. Een instrumentale hoketus veronderstelt een hoog tempo — iets wat overeenkomt met de drie door middeleeuwse theoretici onderscheiden tempi: langzaam voor Petroniaanse motetten (met zeer onderverdeelde breves), gematigd voor Franconiaanse motetten (met breves die in maximaal drie semibreves kunnen worden verdeeld), en snel voor de hoketus.

naar boven