menu

Franse en Italiaanse muziek in de veertiende eeuw 

8. Samenvatting  


terug naar: Franse en Italiaanse muziek in de 14de eeuw

Samenvatting

In de veertiende eeuw werd het muzikale vocabulaire sterk uitgebreid, mede door de verschuiving van geestelijke naar wereldlijke muziek. Het meest opvallend is de grotere ritmische vrijheid en variatie, die sommige laatmiddeleeuwse componisten tot het uiterste doorvoerden. Ook de contrapuntische organisatie rond bepaalde tonale centra wijst op een groeiende harmonische gerichtheid. Onvolkomen consonanten (vooral tertsen en, in mindere mate, sexten) werden steeds vaker gebruikt, terwijl slotakkoorden gewoonlijk priem, octaaf of kwint bleven. Parallelle kwinten en octaven maakten geleidelijk plaats voor passages in parallelle tertsen en sexten. Door het gebruik van musica ficta ontstonden krachtigere cadensen en soepelere melodieën, en het stembereik werd naar boven uitgebreid. De abstracte, gelaagde structuur van het dertiende-eeuwse motet maakte plaats voor het melodisch-harmonische idioom van de cantilenastijl, waarin het bekoorlijke meer centraal stond.

In Frankrijk bleef het motet bestaan als een zelfstandig genre, maar het kreeg vooral politieke en ceremoniële functies en een complexere structuur. Tegelijkertijd bloeiden nieuwe vormen op, zoals de caccia en het madrigaal en al een eeuw eerder de ballata. De verfijnde formes fixes — het virelai, de ballade en het rondeau — waren zowel poëtische als muzikale genres, voortbouwend op oudere tradities. Vooral het rondeau werd tegen het einde van de eeuw steeds populairder en vormde de basis voor complexere compositietypen.

Rond 1400 begonnen de tot dan toe gescheiden muziekstijlen van Frankrijk en Italië in elkaar over te vloeien. Deze internationale stijl zou in de vijftiende eeuw verrijkt worden met invloeden uit Engeland en de Lage Landen.

naar boven

Ars antiqua

Onder ars antiqua (de oude kunst) verstaat men de vroegste periode van genoteerde muziek, van circa 1150 tot 1320. In deze tijd ontwikkelde de muziek zich tot een steeds vrijer wordende polyfonie. Aanvankelijk was zij nog sterk op het gregoriaans georiënteerd: de oude melodieën werden ‘opgerekt’ tot een veelvoud van hun oorspronkelijke duur, maar de gregoriaanse tenor verdween geleidelijk. Zo ontstonden de vroegste conductus-partituren van Léonin en Pérotin, de oudste bij naam bekende componisten van polyfone muziek uit de Notre-Dame-school in Parijs. De ars antiqua maakte gebruik van metrische notatie, waardoor de composities volgens vaste ritmische patronen verliepen. Deze modale ritmiek, gebaseerd op klassieke versvoeten, is kenmerkend voor de muziek uit deze periode.

Ars nova

De ars nova (nieuwe kunst) is een vorm van meerstemmige muziek uit de 14e eeuw, waarbij de stemmen in gelijk ritme bewegen. De naam verwijst naar het gelijknamige traktaat van Philippe de Vitry (ca. 1320). Deze stijl ontwikkelde zich rond 1300 in Frankrijk en Bourgondië.

Ars subtilior

Ars subtilior betekent ‘de subtielere kunst’ en duidt een Europese muzikale stijl uit het einde van de 14e eeuw, vooral in Frankrijk. Het gebied waar deze stijl bloeide lag bij de Pyreneeën, zowel net ten noorden als ten zuiden ervan. Kenmerkend is de ritmische complexiteit, waaronder isoritmiek, waarbij elke stem ritmisch vrijwel onafhankelijk van de andere beweegt. (Pas in de 20e eeuw werd een vergelijkbare complexiteit opnieuw bereikt.) De ars subtilior ontstond uit de ars nova en kende belangrijke ontwikkelingen in muzieknotatie en uitvoeringspraktijk. De belangrijkste bron voor overgeleverde muziek is de Chantilly Codex.

naar boven