menu

Het gregoriaans en het wereldlijke lied in de middeleeuwen 

3. Categorieën, vormen en typen gezangen  


terug naar: Het gregoriaans en het wereldlijke lied in de middeleeuwen

Categorieën, vormen en typen gezangen

Het gregoriaans kan worden ingedeeld op basis van tekst, uitvoeringspraktijk en relatie tussen noten en lettergrepen.

Op tekstuele grond onderscheiden we bijbelse en niet-bijbelse teksten, elk in proza en poëzie. Bijbels proza komt voor in de lessen van het officie en in het Epistel en Evangelie van de mis; psalmen en cantica zijn bijbelse poëzie. Niet-bijbels proza vinden we onder meer in het Te Deum [1] en in veel antifonen, waaronder drie van de vier Maria-antifonen. Hymnen en sequentia’s zijn voorbeelden van niet-bijbelse poëzie.

Qua uitvoeringspraktijk kent het gregoriaans drie vormen: antifonaal (afwisselend koor), responsoriaal (afwisselend solist en koor) en direct (zonder afwisseling).

Een derde indeling betreft de verhouding tussen noten en lettergrepen. Syllabisch gregoriaans kent één noot per lettergreep; melismatisch bevat lange reeksen noten op één lettergreep. De tussenvorm, neumatisch, combineert beide: korte melismen binnen overwegend syllabische gezangen.

Over het algemeen volgt de melodie de tonische accenten van het middeleeuwse Latijn, waarbij beklemtoonde lettergrepen meer of hogere noten krijgen.

Muziekvoorbeelden op YouTube

Achtergrondinformatie bij onderstaande muziekvoorbeelden

  1. Te Deum

naar boven

Reciteertonen en Psalmtonen

Het gregoriaans, gebruikt bij gebeden en bijbellezingen, bevindt zich tussen spraak en zang. De tekst wordt in een hoog tempo op een reciteertoon [1] gezongen, waarbij belangrijke woorden soms op een toon direct boven of onder de tenor worden benadrukt.

Vergelijkbaar, maar iets complexer, zijn de psalmtonen [2,3,4]. Voor elk van de 2 keer 4 (= 8) kerkmodi bestaat een psalmtoon, plus een negende, de Tonus peregrinus. Psalmtonen en tonen voor lezingen uit epistels en de Schrift behoren tot de oudste gezangen van de liturgie, net als de meer geornamenteerde tonen van de prefatie (voorrede) en het Onze Vader.

Tijdens het officie wordt een psalm voorafgegaan en afgesloten door de bijbehorende antifoon. Deze psalmodiezang is antifonaal: het volledige koor wordt afgewisseld met halve koren. Deze uitvoeringstraditie stamt vermoedelijk uit de vroege christelijke kerk en is geïnspireerd op oude Syrische voorbeelden.

Muziekvoorbeelden op YouTube

Achtergrondinformatie bij onderstaande muziekvoorbeelden

  1. Psalm 2
  2. Psalm 110, Dixit Dominus
  3. Psalm 111, Confiteor tibi Domine
  4. Psalm 130, De profundis clamavi ad te

naar boven

Antifonen

De antifoon is de meest voorkomende vorm van gregoriaans: een modern antifonarium bevat er circa 1250 [o.a. 1, 2, 3, 4]. Veel antifonen zijn gebaseerd op hetzelfde melodietype, dat slechts beperkt wordt aangepast aan de tekst. Omdat ze oorspronkelijk bedoeld waren voor koren en niet voor solisten, kenmerken de oudste antifonen zich door stapsgewijze melodieën, een kleine omvang, eenvoudig ritme en een overwegend syllabisch, weinig geornamenteerd karakter. De antifonen voor de cantica zijn iets complexer dan die voor de psalmen [5].

Aanvankelijk werd de antifoon – één of enkele regels tekst met eigen melodie – waarschijnlijk na elk vers van een psalm of lofzang herhaald, zoals ‘want zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid’ in psalm 136 [6]. Tegenwoordig zingt men slechts het begin van de antifoon vóór de psalm, en pas daarna het volledige gezang. De meeste antifonen zijn eenvoudig van opzet, wat past bij hun oorsprong als responsoriale gemeente- of koorzang. Complexere melodieën ontwikkelden zich later tot zelfstandige gezangen, zoals de Introïtus [7], het Offertorium [8] en de Communio [9] in de mis.

De vier Maria-antifonen [10,11,12,13] zijn in strikte liturgische zin geen echte antifonen, maar zelfstandige composities die pas laat ontstonden en uitblinken door hun melodische schoonheid. Veel andere antifonen werden gecomponeerd voor nieuwe christelijke feestdagen tussen de negende en dertiende eeuw, waaronder ook zelfstandige gezangen voor processies en bijzondere gelegenheden.

Muziekvoorbeelden op YouTube

Achtergrondinformatie bij onderstaande muziekvoorbeelden

  1. Tecum principium
  2. Redemptionem
  3. Exortum est in tenebris
  4. Apud dominum
  5. Hodie Christus natus est
  6. Benedictus es
  7. Circumdederunt me
  8. Bonum est confiteri Domino
  9. Illumina
  10. Alma Redemptoris Mater
  11. Ave Regina Caelorum
  12. Regina Caeli (laetare)
  13. Salve Regina

naar boven

Hymnen

Hymnen zijn strofische gezangen, waarbij elke strofe dezelfde structuur heeft: een gelijk aantal regels, lettergrepen en een vast metrum. Deze vorm van gezongen poëzie geldt als een belangrijke vernieuwing binnen de vroegchristelijke kerkmuziek en wordt doorgaans toegeschreven aan Hilarius van Poitiers (ca. 315–366). In tegenstelling tot de psalmen, die gebaseerd zijn op bijbelse teksten, gebruiken hymnen niet-bijbelse poëzie, vaak met een sterk persoonlijke of meditatieve inslag.

Hymnen maakten nooit officieel deel uit van de mis, maar kregen wel een vaste plaats binnen de officiën (de getijdengebeden). Een bekend voorbeeld is de hymne Christe Redemptor omnium [1] uit de Tweede Kerstvespers. Deze bestaat uit zeven strofen van elk vier regels, met een regelmatig metrum van acht lettergrepen in vier jamben. De melodie is eenvoudig en overwegend syllabisch van karakter, met doorgaans niet meer dan twee noten per lettergreep — geheel in lijn met de heldere, meditatieve functie van de hymne binnen de liturgie.

Muziekvoorbeelden op YouTube

Achtergrondinformatie bij onderstaande muziekvoorbeelden

  1. Christe Redemptor omnium

naar boven

Responsorium

Een gezang dat qua vorm nauw verwant is aan de antifoon is het responsorium [1] of respons. Hierbij zingt een solist een kort couplet (het versus), dat door het koor geheel of gedeeltelijk wordt herhaald. Tussen de eerste en tweede herhaling volgt doorgaans een gebed of een lezing uit de Schrift.

Aanvankelijk werd het respons, net als de antifoon, na elk vers van de lezing door het koor herhaald — een uitvoeringspraktijk die nog herkenbaar is in enkele hedendaagse responsoria met meerdere coupletten, zoals die gezongen worden tijdens de metten of nocturnes op hoogtijdagen.

Het responsorium neemt binnen de liturgie een belangrijke plaats in: het vormt een muzikale en meditatieve reactie op het Woord van God, waarin de dialoog tussen solist en koor symbolisch de wisselwerking tussen verkondiging en geloofsantwoord weerspiegelt.

Muziekvoorbeelden op YouTube

Achtergrondinformatie bij onderstaande muziekvoorbeelden

  1. Quam magnificata sunt (responsorium breve)

naar boven

Antifonale Psalmodie

Antifonale psalmodie is een oude vorm van psalmgezang waarin twee groepen zangers elkaar afwisselen. Het woord antifonaal komt van het Griekse antiphona, “tegenstem” of “antwoord”. Zo ontstaat een muzikale dialoog waarbij de ene groep een vers zingt en de andere daarop antwoordt, soms afgewisseld met een gezamenlijk refrein.

In kloosters stonden de zangers vaak tegenover elkaar in het koor, wat de indruk versterkte van een gesprek tussen twee stemmen. Deze afwisseling gaf niet alleen ritme en variatie aan het gezang, maar symboliseerde ook de wederkerigheid van het gebed: de mens die antwoordt op het woord van God.

De antifonale psalmodie vindt haar oorsprong in de joodse tempelliturgie en werd later een vast onderdeel van het christelijke getijdengebed. In tegenstelling tot directe psalmodie (één zanger) of responsoriale psalmodie (voorzanger en koor), benadrukt de antifonale vorm de gemeenschappelijkheid en de innerlijke dialoog van het geloof.

naar boven

Tractus

De tractus behoort tot de langste vormen van liturgisch gezang, zowel door de uitgebreide teksten als door de melodieën, die worden verrijkt met lange melismatische passages. Een tractus wordt altijd gezongen in de tweede of achtste modus, waarbij de melodische schema’s binnen elke modus sterke onderlinge verwantschap vertonen.

De tracti in de tweede modus onderscheiden zich door hun ingetogen, berouwvolle karakter; hun melodieën zijn doorgaans langer en ernstiger van toon. De achtste modus daarentegen klinkt lichter en wordt vaak gebruikt voor teksten die woorden van hoop en vertrouwen uitdrukken. Dit verschil hangt samen met het toongeslacht: de tweede modus is gebaseerd op een kleine terts, terwijl de achtste modus een grote terts bevat, wat de expressieve tegenstelling versterkt.

Een bekend voorbeeld van een tractus in de tweede modus is Eripe me, Domine, gezongen op Goede Vrijdag. Een typisch voorbeeld van de achtste modus is De profundis, waarvan de tekst ontleend is aan psalm 130 (“Uit de diepten roep ik tot U, o Heer”). Beide tonen de emotionele reikwijdte van de tractus, die in de liturgie fungeert als een bezinnende, vaak woordeloze meditatie tussen de lezingen.

Muziekvoorbeelden op YouTube

Achtergrondinformatie bij onderstaande muziekvoorbeelden

  1. Eripe me, Domine
  2. De profundis

naar boven

Graduale

Tot de gezangen die vanuit Rome naar de Frankische kerken werden gebracht, behoren ook de gradualen, die waarschijnlijk pas in een latere, hoogontwikkelde vorm bij de Franken zijn ingevoerd. De melodieën van gradualen zijn doorgaans meer melismatisch dan die van de tracten en vertonen een wezenlijk andere structuur.

Een graduale in een hedendaags gezangenboek kan worden opgevat als een ingekort responsorium: het begint met een inleidend refrein of respons, gevolgd door één enkel psalmvers. In het refrein start een solist, waarna het koor de melodie overneemt. Het psalmvers wordt opnieuw door de solist gezongen, waarbij het koor in de laatste zin bijval geeft.

Gradualen vervulden in de liturgie een belangrijke functie: ze werden gezongen tussen de lezingen van de mis en vormden een muzikaal hoogtepunt dat de tekst van de psalm of het evangelie accentueerde, zowel emotioneel als ritmisch. Door hun melismatische karakter boden ze solisten de mogelijkheid tot expressieve uitwerking, terwijl het koor de collectieve deelname van de gemeente waarborgde.

naar boven

Alleluia

Het Alleluia bestaat uit een refrein op het woord alleluia, een psalmvers en een herhaling van het refrein. De gebruikelijke uitvoering verloopt als volgt: de solist (of solisten) zingt het woord alleluia, waarna het koor dit herhaalt en vervolgt met de jubilus, een lang melismatisch verloop op de laatste lettergreep van alleluia. Vervolgens zingt de solist het psalmvers, waarbij het koor invalt op de laatste regel. Tot slot brengt het koor opnieuw het alleluia met de jubilus ten gehore.

Het Alleluia heeft overwegend een melismatisch karakter, vooral in de jubilus, wat het gezang tot een muzikaal hoogtepunt van de mis maakt. Alleluia’s werden tot aan het eind van de middeleeuwen gecomponeerd, en vanaf de negende eeuw leidde dit genre tot de ontwikkeling van belangrijke nieuwe muzikale vormen. Ze vervulden niet alleen een liturgische functie als lofzang voorafgaand aan het evangelie, maar boden ook solisten en koren ruimte voor muzikale expressie en improvisatorische uitwerking.

naar boven

Offertorium

De melodische stijl van het Offertorium vertoont veel overeenkomsten met die van het Graduale. In hun oorspronkelijke vorm waren offertoria zeer lange gezangen, uitgevoerd door gemeente en clerus tijdens het aanbieden van brood en wijn. Toen het ceremonieel werd ingekort, werden ook de gezangen korter, hoewel het oorspronkelijke gebruik nog herkenbaar is in de incidentele herhalingen van tekst.

Offertoria variëren sterk in vorm en sfeer; door het gebruik van muzikaal rijm en herhaling van motieven doen ze soms denken aan een Alleluia. De melismen zijn nauw verbonden met de tekst en vervullen zowel een expressieve als een decoratieve functie, waardoor het Offertorium een belangrijk muzikaal en liturgisch hoogtepunt van de mis blijft.

naar boven

Gezangen van het Ordinarium

De gezangen van het ordinarium waren van oorsprong waarschijnlijk eenvoudige, syllabische melodieën, bedoeld om door de gemeente gezongen te worden. Na de negende eeuw werden veel van deze gezangen vervangen door nieuwe zettingen met meer ornamentiek, terwijl de eenvoudige syllabische stijl grotendeels behouden bleef bij het Gloria en het Credo.

Het Kyrie, Sanctus en Agnus Dei volgen een driedelige structuur in zowel tekst als melodie. Zo volgt het Kyrie het schema: Kyrie eleison – Christe eleison – Kyrie eleison, waarbij de herhaling van de tekst de gebedsfunctie versterkt en tegelijkertijd een muzikale symmetrie creëert. Deze driedelige opbouw is typerend voor de klassieke ordinariumgezangen en vormt een belangrijk element van de liturgische en muzikale vormgeving van de mis.

Luistervoorbeelden

Muziekvoorbeelden op YouTube

Achtergrondinformatie bij onderstaande muziekvoorbeelden

naar boven