menu

Het gregoriaans en het wereldlijke lied in de middeleeuwen 

5. Muziektheorie en muziekpraktijk in de middeleeuwen  


terug naar: Het gregoriaans en het wereldlijke lied in de middeleeuwen

Muziektheorie en muziekpraktijk in de middeleeuwen

Vanaf de Karolingische periode waren middeleeuwse muziekverhandelingen vooral praktijkgericht, in tegenstelling tot de theoretische geschriften uit de klassieke en vroeg-christelijke tijd. Hoewel Guido van Arezzo in zijn Micrologus (ca. 1025–1028) eer betoont aan Boëthius, stelt hij vast dat diens theorie ontoereikend is voor verdere ontwikkelingen van het gregoriaans en de eerste polyfonie. Guido breekt met de Griekse traditie door een toonstelsel te introduceren dat niet op tetrachorden berust, en door nieuwe modi te beschrijven die losstaan van de klassieke tonoi en harmoniai.

Daarnaast geeft hij praktische richtlijnen voor het componeren binnen deze modi en voor meerstemmige zang (diafonie of organum). Voorbeelden daarvan vond hij in de anonieme negende-eeuwse Musica enchiriadis en de Scolica enchiriadis, handleidingen voor kloosterleerlingen waarin zang, geheugenonderwijs en het gebruik van diagrammen centraal stonden. Leerlingen moesten intervallen kunnen zingen, gezangen uit het hoofd kennen en uiteindelijk a prima vista kunnen lezen. Een kernonderdeel van deze leermethode was het systeem van de acht modi, of “tonen”, zoals middeleeuwse schrijvers ze noemden.

naar boven

De acht kerktonen

De ontwikkeling van het middeleeuwse modale systeem verliep geleidelijk. In de elfde eeuw was het systeem volgroeid en omvatte het acht modi, die verschilden in de opeenvolging van hele en halve tonen binnen een diatonisch octaaf, gebaseerd op een finalis of grondtoon. Een melodie eindigde vaak, maar niet altijd, op deze noot. De toonsoorten waren genummerd en paarsgewijs gekoppeld: oneven nummers duidden op authentieke modi, even nummers op plagale modi, die dezelfde finalis deelden. De authentieke toonladders beginnen op D, E, F of G; de corresponderende plagale ladders liggen telkens een kwart lager.

Elke modus had naast de finalis ook een reciteertoon , die samen met de ligging het karakter van een kerktoon bepaalde. Het enige voorteken dat nodig was in de gregoriaanse notatie was de Bes-mol, die in sommige modi werd toegepast.

Voor het onderwijs introduceerde Guido van Arezzo de lettergrepen ut, re, mi, fa, sol, la (afkomstig van de hymnetekst Ut queant laxis) om het patroon van hele en halve tonen te onthouden. Dit leidde tot het systeem van hexachorden. (Vijf eeuwen later werd ut vervangen door do, en si toegevoegd als zevende toon.)

Een speciaal pedagogisch hulpmiddel was de Guidonische hand, waarbij de leraar intervallen aangaf door met de wijsvinger te wijzen naar kootjes van zijn open linkerhand. In vrijwel elke middeleeuwse of renaissancistische muziekverhandeling werd een tekening van deze hand opgenomen.

naar boven

Notatie

Een andere taak van de middeleeuwse theoreticus was het ontwikkelen van een geschikt notenschrift. Zolang het gregoriaans mondeling werd overgeleverd en er vrijheid bestond in de uitvoering, volstonden enkele aanwijzingen voor het melodieverloop. Vanaf de negende eeuw begon men neumen boven de tekst te plaatsen om stijgende en dalende bewegingen aan te duiden.

In de tiende eeuw werden deze tekens op verschillende hoogten genoteerd om de melodie nauwkeuriger weer te geven. Puntjes op de neumen konden aangeven hoe de tonen zich onderling verhielden.

Een grote stap volgde toen men een rode lijn trok voor de toon f en later een gele lijn voor c. Rond het midden van de elfde eeuw beschreef Guido van Arezzo het gebruik van een balk met vier lijnen, waarmee de relatieve toonhoogte exact kon worden vastgelegd.

De uitvinding van de notenbalk betekende een keerpunt: muziek kon nu schriftelijk worden overgeleverd, vergelijkbaar met wat het schrift betekende voor de taal. Toch was het systeem nog onvolmaakt – toonhoogte werd wel vastgelegd, maar ritme nog niet. Hoewel sommige manuscripten ritmische tekens bevatten, is hun betekenis grotendeels verloren gegaan.

In de moderne praktijk worden de noten van het gregoriaans doorgaans als gelijkwaardig in duur beschouwd, gegroepeerd in tweetallen of drietallen tot grotere ritmische eenheden. Deze interpretatie, nauwgezet uitgewerkt door de benedictijnen van Solesmes aan het begin van de twintigste eeuw, kreeg goedkeuring van het Vaticaan als zijnde in overeenstemming met de geest van de liturgie.

naar boven