menu

Het gregoriaans en het wereldlijke lied in de middeleeuwen 

4. Latere ontwikkelingen van het gregoriaans  


terug naar: Het gregoriaans en het wereldlijke lied in de middeleeuwen

Latere ontwikkelingen van het gregoriaans

In de vijfde tot en met de negende eeuw bekeerden de West- en Noord-Europese volken zich tot het christendom. In het grotendeels bekeerde Frankische Rijk was het officiële gregoriaans vóór het midden van de negende eeuw de norm geworden; vanaf dat moment tot het einde van de middeleeuwen vonden alle belangrijke muzikale ontwikkelingen ten noorden van de Alpen plaats. In West- en Centraal-Europa ontstonden diverse culturele centra, met belangrijke impulsen afkomstig van de Britse eilanden. In de zesde tot achtste eeuw stichtten monniken uit Ierse en Schotse kloosters scholen in eigen land en op het continent, vooral in Duitsland en Zwitserland. Een heropleving van de Latijnse cultuur in het achtste-eeuwse Engeland bracht geleerden voort wiens naam ook het Europese vasteland bereikte. Een van de resultaten van deze Karolingische renaissance was de ontwikkeling van belangrijke muzikale centra, met het klooster van Sankt Gallen als beroemdste voorbeeld.

De noordelijke invloed op het gregoriaans is onder meer zichtbaar in de grotere melodische sprongen, vooral tertsen, zoals in de sequentia Christus hunc diem uit het begin van de tiende eeuw. Noord-Europese componisten introduceerden niet alleen anders klinkende melodieën, maar ook nieuwe gezangvormen. Deze ontwikkelingen gingen hand in hand met de opkomst van het wereldlijke monodische lied en de eerste experimenten met polyfonie.

naar boven

Troop

Een troop was oorspronkelijk een nieuw gecomponeerde toevoeging bij een van de antifonale gezangen uit het proprium van de mis. De meeste tropen werden toegevoegd aan de Introïtus, en in mindere mate aan het Offertorium of de Communio. Later verschenen ook tropen bij de gezangen van het ordinarium, vooral bij het Gloria. Ze dienden als inleiding op een bestaand gezang of als tussenvoeging van nieuwe tekst en muziek binnen de oorspronkelijke structuur.

Een belangrijk centrum voor deze vorm van compositie was het klooster van Sankt Gallen, waar de monnik Tuotilo (gestorven in 915) met zijn tropen grote bekendheid verwierf. De bloeitijd van de tropen viel in de tiende en elfde eeuw, vooral binnen kloosters, maar in de twaalfde eeuw verdwenen ze geleidelijk uit de liturgische praktijk.

De termen troop en troperium worden vaak ruimer gebruikt om alle toevoegingen of uitbreidingen bij bestaande gezangen aan te duiden. In die brede betekenis geldt de sequentia (zie onder) als een subcategorie van de troop, en worden zelfs latere tekstinterpolaties in polyfone missen – bijvoorbeeld in het Gloria – eveneens als tropen beschouwd.


Proprium: De teksten en gezangen die specifiek zijn voor een bepaalde kerkelijke viering, zoals een feestdag of een heilige (bijvoorbeeld het 'Proprium Missae' of 'Proprium Sanctorum'). Deze delen veranderen afhankelijk van de kalender, in tegenstelling tot het 'ordinarium' (de vaste gezangen).

naar boven

Sequentia

De sequentia ontstond uit de lange melismen die aan het Alleluia werden toegevoegd. Aanvankelijk betroffen dit eenvoudige verlengingen van de slotlettergreep, maar later groeiden ze uit tot zelfstandige composities. Wanneer een dergelijke melodische uitbreiding werd voorzien van tekst – waarbij elke noot één lettergreep kreeg – ontstond de sequentia in eigenlijke zin: een syllabisch gezang op een bestaande melismatische melodie.

De oorsprong van de sequentia ligt in het Frankische gebied, met duidelijke invloeden uit Rome. De monnik Notker Balbulus (ca. 840–912) uit Sankt Gallen wordt gezien als de eerste systematische samensteller van sequentia’s. Hij voorzag lange melismen van tekst om ze beter te kunnen onthouden en verzamelde deze in zijn Liber hymnorum.

Vanaf de tiende eeuw ontwikkelde de sequentia zich tot een zelfstandige compositievorm die in heel West-Europa populair werd. Ook in Nederland werden al vroeg sequentia’s geschreven, onder meer door bisschop Radboud van Utrecht (ca. 850–917). In de daaropvolgende eeuwen beïnvloedden sequentia’s en wereldlijke liederen elkaar wederzijds, zowel in vocale als in instrumentale muziek.

De klassieke sequentia bestond uit paren van gelijke strofen die op hetzelfde melodische motief werden gezongen, met een zelfstandige eerste en laatste strofe. Een beroemd voorbeeld is Victimae paschali laudes van Wipo van Bourgondië (11e eeuw). In de 12e eeuw schreef Adam van Sint-Victor meer verfijnde, rijmende prosae, en later ontstonden metrische vormen als het Dies irae van Thomas van Celano.

Door de hervormingen van het Concilie van Trente (1545–1563) verdwenen de meeste sequentia’s uit de eredienst. Slechts vier bleven officieel behouden: Victimae paschali laudes, Veni Sancte Spiritus, Lauda Sion en Dies irae. In 1727 werd daar nog een vijfde aan toegevoegd: het Stabat Mater dolorosa, toegeschreven aan Jacopone da Todi of Bonaventura.

Muziekvoorbeelden op YouTube

Aanvullende informatie bij onderstaande muziekvoorbeelden

  1. Notker - Media Vita
  2. Notker Balbulus - Natus Ante Saecula
  3. Wipo van Bourgondië - Victimae Paschali laudes (sequens)

naar boven

Liturgisch Drama

Een van de vroegste liturgische zangspelen is gebaseerd op een dialoog of troop uit de tiende eeuw die voorafging aan de Introïtus van de paasmis. In deze paasdialoog verschijnen de drie Maria’s bij het graf van Jezus. De engel vraagt: ‘Wien zoekt gij in dit graf?’ — ‘De gekruisigde, Jezus van Nazareth’, antwoorden zij. Waarop de engel zegt: ‘Hij is niet hier, Hij is verrezen, gelijk Hij voorzeide. Gaat en boodschapt dat de Heer uit het graf is opgestaan’ (Marcus 16:5–7). Uit middeleeuwse bronnen blijkt dat deze gezongen dialoog gepaard ging met eenvoudige dramatische handelingen.

Een vergelijkbare dialoog werd gebruikt in de Introïtus voor Kerstmis, waarin vroedvrouwen rond de kribbe de herders ondervragen. De paas- en kerstspelen waren de bekendste liturgische zangspelen en werden in heel Europa uitgevoerd. De oudste Nederlandse voorbeelden, paasspelen uit Utrecht en Maastricht, dateren uit de twaalfde eeuw.

Ook elders ontstonden dergelijke werken, zoals het Spel van Daniël (Beauvais, 13e eeuw) en het Spel van Herodes uit Fleury, over de kindermoord. Deze zangspelen bestaan uit reeksen gezangen, afgewisseld met processies en handelingen die theatraal aandoen, maar niet als toneel bedoeld waren. Hoewel sommige bronnen melding maken van decor, kostuums en acteurs uit de clerus, lag het zwaartepunt op tekst en muziek.

naar boven